Claartje Slager
Claartje Slager in de winter van 1940-1941.
Uitsnede uit groepsfoto van meisjesclub Erasmiaans Gymnasium. Foto aan de school gedoneerd door mw. Charlotte ‘Lot’ van der Pot. Eerder gepubliceerd in Schram-Ouweneel, A. en J. van Oostendorp, Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen (Rotterdam, 2003).
Claartje Slager
(Hillegersberg, 14 oktober 1925 – tussen Auschwitz en Ravensbrück, omstreeks 18 januari 1945)
Zolang er leven is, is er hoop
Geboren in Hillegersberg | 14 oktober 1925
Clara Marianne Slager werd op 14 oktober 1925 geboren in Hillegersberg. Zij was het eerste kind van Marcus ‘Max’ Slager en Helena ‘Lena’ Roos. Claartje werd vernoemd naar haar oma van vaderskant, Klaartje Slager-Gokkes, en haar oma van moederskant, Maria Anna Roos-van Wijnbergen. Claartje bleef enig kind.

Claartjes geboorteadvertentie in NRC.
Claartje werd geboren in een welgesteld gezin. Haar vader Max, dierenarts, was in Hillegersberg een vooraanstaand man. Hillegersberg was toen nog een zelfstandige gemeente. Het gezin Slager woonde op Straatweg 246, in Villa l’Espérance. Dit was de oude directiewoning van de Schielandsche Tramweg Maatschappij. Het huis bestaat nog steeds.
In Hillegersberg ging Claartje naar de Hillegondaschool, een openbare school gebouwd in 1926. De school lag in de Hillegondastraat, om de hoek van de Straatweg. Claartje leerde hier schrijven met lei en griffel. Er waren schoolreisjes, schoolrevues en zwemwedstrijden in het Zwarte Plasje, een natuurzwembad dat nog steeds bestaat.
Als jong meisje deed Claartje waarschijnlijk volop mee aan Koninginnedag. De verjaardag van Koningin Wilhelmina, 31 augustus, werd in Hillegersberg groots gevierd, met een kinderoptocht, een bloemencorso, zwem-, zeil- en kanowedstrijden en spelletjes voor kinderen. ’s Avonds was er vuurwerk en een dansfeest. De Straatweg was verlicht met lichtjes en lampions. Claartjes vader zat in het Centraal Oranje Comité.
In 1930 werd in Hillegersberg een scoutinggroep voor meisjes opgericht: Scoutinggroep Hillegersberg. Claartje werd lid. In 1935, toen zij negen jaar oud was, schreef Claartje een paasverhaal voor het blad De Padvindster, maar haar verhaal was meer dan 20 regels, dus het werd niet opgenomen. Claartje schreef alsnog een kort verhaaltje, zo blijkt uit een krantenknipsel.

Bericht in De Padvindster van 15 mei 1935. In het jaar 1935 wordt Claartjes naam vier keer genoemd in dit blad.
De padvindster, jrg 10, 15 mei 1935, no. 4.
Nazi’s aan de macht in Duitsland | vanaf januari 1933
Het gezin Slager was niet actief in de Joodse gemeenschap van Rotterdam. Toch voelden Max en Lena vanaf 1933 de dreiging van nazi-Duitsland. In januari 1933 kwam Adolf Hitler aan de macht via democratische verkiezingen. Duitsland veranderde binnen een half jaar van een democratie in een dictatuur. Politieke partijen werden verboden. Vanaf half juli 1933 was Duitsland een éénpartijstaat.
Een maand later, op 14 augustus 1933, plaatste Claartjes moeder een advertentie in het Rotterdamsch Nieuwsblad. Zij was op zoek naar een dienstbode, maar “geen Duitsche”. Discriminatie? Of verstandig?
Steeds meer Duitse Joden vluchtten naar Nederland. In Hillegersberg werd een comité opgezet voor hulp aan Joodse vluchtelingen. Ook Claartjes vader Max zat in het comité. Er werd een geldinzameling gehouden voor “vluchtelingen wegens geloof of ras”. Collectanten konden zich o.a. melden op het adres Straatweg 246, Claartjes ouderlijk huis.
Erasmiaans Gymnasium | vanaf september 1937
In de zomer van 1937 slaagde Claartje voor het pittige toelatingsexamen van het Erasmiaans Gymnasium. In de tweede klas bleef ze echter zitten met vier vijven. Dit leverde haar echter een paar goede vriendinnen op: met de meisjes in haar ‘tweede’ tweede klas zou ze later een club vormen. Het jaar daarna ging ze over naar de derde klas, met een negen voor Duits, achten voor Nederlands en wiskunde, zevens voor Grieks, Latijn, Frans, aardrijkskunde en natuurlijke historie [= biologie], een 6+ voor geschiedenis, en zessen voor tekenen en gymnastiek.
Op het Erasmiaans had Claartje een vaste vriendinnengroep: de meisjes bij wie ze in 1939 in de tweede klas kwam. In de zomer van 1940 werd de vriendinnengroep opgesplitst, omdat het schoolgebouw aan de Wytemaweg werd gevorderd door de Kriegsmarine [=Duitse marine]. Claartje kwam op locatie Oost, Vredehofweg 30, bij Lot van der Pot, Phil Hoetink, Riekje Ribbink, Anneke van Oordt, Anneke Visser en Nel van Dorpel. Drie andere vriendinnen, Ruth Hintzen, Babs de Groot en Wesje de Groot, kwam en op locatie West, Mathenesserlaan 435. In het najaar van 1940 richtten deze meisjes een club op om elkaar toch te blijven zien. Ze praatten over de oorlog, maakten of luisterden muziek en deden spelletjes. In de winter van 1940-1941 lieten zij een foto maken bij een fotograaf. Claartje zit in het midden op de voorste rij.
Foto uit de nalatenschap van Charlotte van der Pot (op de foto achter Claartje). Eerder gepubliceerd in Schram-Ouweneel, A. & J. van Oostendorp (reds.), Het Erasmiaans Gymnasium tijdens de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen (Rotterdam, 2003).
Verwijdering van het Erasmiaans | 1 september 1941
Aan het eind van schooljaar 1940-1941 ging Claartje met mooie cijfers over naar de vierde klas. Ze had achten voor Nederlands, Engels en geschiedenis. Maar in augustus 1941 moest ze van school af. Joodse leerlingen mochten niet meer onder één dak zitten met niet-Joodse leerlingen. De gemeente Rotterdam richtte een Joods Lyceum op. Claartje kwam hier in de vierde klas. Het lijkt erop dat Claartje zich vanaf dit moment Clara noemde.
Clara’s vriendin Lot van der Pot van het Erasmiaans bleef haar opzoeken:
Diverse malen bezocht ik haar in Hillegersberg en later op verschillende onderduikadressen; aanvankelijk om huiswerk(taken) te brengen, tenslotte voor de gezelligheid. Dit ging door tot … maart 1943. The rest is silence...
Brief van Charlotte van der Pot aan Anne Schram-Ouweneel, 2003.
Arrestatie vader | 13 maart 1942
Ondertussen was de buurman van Clara op 30 november 1939 lid geworden van de N.S.B., de Nationaal-Socialistische Beweging, een Nederlandse politieke partij die tijdens de bezetting collaboreerde [= samenwerkte] met de Duitsers. Clara’s buurman had propagandamateriaal voor de ramen hangen en was abonnee van de krant Deutsche Zeitung in den Niederlanden.
Op 13 maart 1942 werd Max Slager gearresteerd. In een document van Arolsen Archives staat: “was arrested because of violation of official orders and of wartime economic measures”. Een kennis van de familie, Lou Wijnbergen, die net als Claartje op het Erasmiaans Gymnasium had gezeten, zou een jaar later in Londen melden dat Claartjes vader was gearresteerd omdat hij de “benzinebepalingen” had overtreden. Wat waren de benzinebepalingen? Benzine was tijdens de oorlog ‘op de bon’, dus alleen verkrijgbaar met een bon, maar voor artsen golden uitzonderingen. Had Marcus de regels overtreden? Of werd hij er alleen van verdacht dat hij de regels had overtreden? Marcus had een praktijk aan huis, aan de drukke Straatweg, dus eventuele overtredingen waren goed te zien. Vermoedelijk had iemand de politie ingelicht.
Clara’s vader zat eerst een maand in de gevangenis in Rotterdam. Op 18 april 1942 werd hij overgebracht naar Kamp Amersfoort. Clara en haar moeder bleven alleen achter. “Nadat haar vader al was opgepakt, vond haar moeder het raadzamer, dat zij niet meer naar ons clubje zou gaan,” schreef Lot van der Pot in 2003. Al snel mocht Clara niet eens meer naar haar vriendinnen. Vanaf 6 juli 1942 gold voor Joden een verbod om bij niet-Joden op bezoek te gaan.
De eerste deportatie vanuit Rotterdam | 30 juli 1942
Op 16 juli 1942 werd Max Slager vanuit kamp Amersfoort gedeporteerd naar Auschwitz. Meteen de dag erna werd het huis aan de Straatweg verkocht aan een zekere K.H. van der Aa uit Hillegersberg. Het blijkt te gaan om de buurman, Kaspert Hendrik van der Aa. De verkoop staat vermeld in de zogenaamde Verkaufsbücher, een lijst met vastgoed dat tijdens de oorlog is onteigend en verkocht. Van der Aa verkocht het huis van de Slagers meteen weer door, maar hield een strook van de tuin voor zichzelf. Van der Aa werd een paar dagen na de bevrijding gearresteerd. In 1948 werd hij veroordeeld voor collaboratie.
Eind juli 1942 kreeg Clara een oproep om naar doorgangskamp Westerbork te komen voor “werkverruiming in Duitsland”. Zij moest zich op 30 juli 1942 melden in Loods 24 op Rotterdam-Zuid. Voor dit eerste transport vanuit Rotterdam werden tweeduizend Joodse Rotterdammers opgeroepen. Onder hen waren ook de Erasmianen Joseph ‘Joop’ Slagter en Clara Haagman, die net als Clara op het Joods Lyceum zaten. Een andere leerling van het Joods Lyceum, Carry Ulreich, was die dag in Loods 24. In haar dagboek beschreef ze wat zij daar zag:
Misère, overal verschrikkelijke misère. Vertwijfelde mensen! (…) Clara Slager, een schat van een meisje uit de 4e klas gym (ik had dus dikwijls les met haar) was er ook. Ze was tamelijk koud, onverschillig, maar in haar hart huilde ze, geloof ik. Haar vader, veearts, hebben ze laatst opgepikt en nu is haar moeder helemaal alleen. Dus vreselijk zielig.
Carry Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, Oorlogsdagboek 1941-1945, p.52, 55.
Op de een of andere manier lukte het Clara om terug te keren, want Carry Ulreich schreef op 2 augustus in haar dagboek:
Ik hoorde (…) dat er tamelijk veel mensen nog terug waren gekomen, haast allen die bij de Joodse Raad werkten, daar hebben ze moeite voor gedaan. [Ook] Clara Slager (daar ben ik toch zo vreselijk blij om, heb direct een enthousiast kaartje geschreven en geïnformeerd hoe ze ‘m dat gelapt heeft).
Carry Ulreich, ’s Nachts droom ik van vrede, Oorlogsdagboek 1941-1945, p.58.
Clara’s naam staat inderdaad op de lijst met vrijstellingen voor dit transport, gemaakt door de Joodse Raad Rotterdam. Bij de reden voor vrijstelling staat: ‘J.R.’ Mogelijk had Clara een baantje bij de Joodse Raad, zoals wel meer leerlingen van het Joods Lyceum. Of ze kreeg vrijstelling omdat ze in het Joodse ziekenhuis werkte: op Clara’s Joodse Raad-kaart staat dat zij leerling-verpleegster was. Wel meer meisjes van het Joods Lyceum stopten met school om in het ziekenhuis te gaan werken. Zo konden ze wat geld verdienen. Clara en haar moeder hadden na de arrestatie van Max immers geen inkomsten meer.
Onderduik | vanaf 29 oktober 1942
Vermoedelijk konden Clara en haar moeder Lena nog even blijven wonen aan de Straatweg. Op 25 augustus 1942 kwamen twee Joodse vrouwen bij hen inwonen: Else Buxbaum en haar dochter Margot Hélène de Hartog, beiden uit Hillegersberg. Else zou in 1944 worden vermoord in Auschwitz. Margot overleefde de oorlog in concentratiekamp Theresienstadt.
Op 29 oktober 1942 gingen Lena en Clara inwonen bij de familie Tels aan de Graaf Florisstraat 89 in Rotterdam. De twee families hadden veel gemeen. Beide moeders waren alleenstaand, want beide vaders waren gedeporteerd en omgekomen – vader Tels is het Erasmiaanse oorlogsslachtoffer Harry Tels. Verder zaten Tinus Tels en Clara beiden tot de zomer van 1941 op het Erasmiaans Gymnasium. Op het Joods Lyceum zaten ze bij elkaar in de klas (4 gym).
De familie Tels had geluk. Moeder Lucie, zoon Tinus en dochter Anneke stonden op de Barneveld-lijst. Joden die op deze lijst stonden, werden beschermd tegen deportatie. Het waren mensen die iets betekenden voor de samenleving, zoals kunstenaars, musici, toneelspelers, rechters, advocaten, professoren en artsen. Mensen met goede relaties. De mensen die in 1942 op de lijst kwamen, bleven eerst gewoon thuis wonen. Vanaf eind 1942 werden ze onderbracht op Landgoed De Schaffelaar in Barneveld. Op 2 augustus 1943 woonden er 640 Joden op dit landgoed. Uiteindelijk zou iedereen gedeporteerd worden naar concentratiekamp Theresienstadt, maar dit was geen vernietigingskamp.
Op 21 november 1942 werd het huis van de familie Tels leeggehaald door twee ambtenaren: Bax en Van Keulen. De inboedel werd genoteerd. Ook al was de woning leeg, Clara en haar moeder bleven er wonen. Lena deed haar uiterste best om Clara en zichzelf op de Barneveld-lijst te krijgen. Op 31 december 1942 stuurde zij een officieel verzoek aan de heer N.Th. Verwey, secretaris-generaal van het Department van Sociale Zaken. Een fragment:
Ondergeteekende, Helena Slager-Roos, geb. 25-3-1896, tijdelijk wonende te R’dam, Graaf Florisstraat 89, heeft de eer U het volgende verzoek te doen toekomen in de hoop op Uw welwillende beoordeling.
Mijn man, Marcus Slager, Rijksveearts te Hillegersberg, geb. 10 juni 1897 te Steenwijk, werd op 14 Maart j.l. in arrest gesteld, begin Mei naar Amersfoort gebracht en ongeveer half Juli op transport gesteld.
Mijn dochter Clara Marianne Slager, geb. 14-10-1925 te Hillegersberg (gymnasiaste 5e kl.) en ik wonen tijdelijk bij kennissen in Rotterdam.
Daar ondergeteekende van verschillende kanten gehoord heeft dat er voor Rijksambtenaren van Joodsch ras en voor andere jegens de gemeenschap verdienstelijke personen mogelijkheid bestaat in het huis “de Schaffelaar” bij Barneveld tot het einde van den oorlog vrijwillig geïnterneerd te worden, verzoekt zij U beleefd, gezien de voor haar en haar dochter zeer moeilijke situatie, haar en haar dochter, voor zoover het U mogelijk is, voor onderbrenging in “de Schaffelaar” in aanmerking te doen komen, of, indien U hierover geen zeggingschap hebt, haar den weg te wijzen dien zij tot bereiking van dit doel moet gaan.NIOD, archief 101b, inventaris 319, Sa-Sl, 8 oktober 1942-25 augustus 1943: M. Slager, dierenarts [Verzoek om plaatsing op de Barneveld-lijst voor Helena Slager-Roos en Clara Marianne Slager].
Een zekere F.L.D. Nivard, Beukelsdijk 152 te Rotterdam, schreef een brief ter ondersteuning van het verzoek, met het handgeschreven afschrift van de brief van Helena Roos erbij. In zijn brief gaf hij vrijwel dezelfde informatie als Helena. Bij Claartje:
dochter: Clara, Marianne Slager geb 14-10-1925 te Hillegersberg
Was leerling 5e klasse gymnasium, thans door de omstandigheden gedwongen leerling-verpleegster.NIOD, archief 101b, inventaris 319, Sa-Sl, 8 oktober 1942-25 augustus 1943.
Met een roze potlood staat schuin over deze brief geschreven: Afwijzen.
Ook Hartog Joseph Valk, Beukelsdijk 173a, deed zijn best om Lena en Clara op de Barneveld-lijst te krijgen. De antwoorden zullen Lena en Clara enige hoop hebben gegeven: misschien konden zij op de reservelijst voor Barneveld komen. H.J. Valk benadrukte in zijn brief:
Het is een zeer zielig geval. De man, oud-veearts, die zich op zijn gebied zeer verdienstelijk heeft gemaakt, is via Amersfoort naar Birkenau gezonden. Mevr. Slager is onverzorgd met haar dochter van 17 jaar achtergebleven.
NIOD, archief 101b, inventaris 319, Sa-Sl, 8 oktober 1942-25 augustus 1943.
In januari 1943 werd het gezin Tels gedeporteerd naar Barneveld. Lena en Clara moesten op zoek naar een nieuw onderduikadres. Op 27 februari 1943 gingen zij wonen in het bovenhuis van Rozenburglaan 17 in Kralingen, het familiehuis van Marcus Vieyra en Dora Vieyra-van Veen. Marcus ‘Max’ Slager en Marcus ‘Max’ Vieyra waren vermoedelijk bevriend. Ze kenden elkaar van de manege Hillegersberg, en Max Slager vormde een bridgeteam met Toon Vieyra, de broer van Max Vieyra.
Eind april 1943 doken Lena en Clara onder bij het artsenechtpaar De Graaf-Hoedemaker aan Delftweg 10 in Overschie. Ze konden hier echter niet blijven. Eerst was het plan om Clara onder te brengen bij het echtpaar Henk en Co van der Werf in het Overijsselse Kampen. Maar men vond het beter om voor Clara een schuilplaats te vinden bij een jong gezin of bij andere jonge onderduikers.
Kamperveen
Zo belandde Clara op de boerderij van Marinus Post en Hannechien ‘Annie’ Post aan de Venedijk 3 in Kamperveen. Verzetsstrijder Marinus Post kwam Clara waarschijnlijk zelf met de fiets ophalen van station Kampen. Iets meer dan een kilometer van het onderduikadres van moeder Lena bij het echtpaar Van der Werf in de Molendwarsstraat 13 in Kampen.
Op de boerderij van Marinus en Annie Post was het een komen en gaan van onderduikers. Opvallend genoeg zaten er naast Clara nog drie andere oud-leerlingen van het Erasmiaans Gymnasium: de seculier-Joodse broers Bob en Frits Frenkel en de niet-Joodse student André van de Ven. Frits Frenkel had net als Clara op het Joods Lyceum gezeten; hij haalde in 1942 op het Joods Lyceum zijn eindexamen alpha.
De onderduikers hadden het goed op de boerderij. Frits Frenkel schreef na de oorlog in zijn Identiteitskaart dat de tijd op de boerderij voor hem zijn “hoogseizoen” in de oorlog was. Maar de boerderij was ook een plek waar iedereen te pas en te onpas kon binnenvallen. Marinus Post verpachtte stukjes grond aan allerlei Kampenaren. Diverse leden van de N.S.B. hadden een volkstuintje bij Post. Veel mensen wisten dat de boerderij een toevluchtsoord was.
Overval en arrestatie | 26 juli 1943
In Kampen gingen geruchten over onderduikers bij Marinus Post. Iemand tipte de politie. Op 26 juli ging de opperluitenant van Kampen, Johan Boesveld, een middagje jagen met Dirk Kwakkel, de lokale leider van de WA, de geüniformeerde ordedienst van de NSB. Na afloop dronken Boesveld en Kwakkel een stevige borrel in de woning van Boesveld aan de IJsselkade 21. In de late avond stelde opper Boesveld aan NSB’er Kwakkel voor om eens een kijkje te nemen bij de boerderij van Post. Boesveld, Kwakkel en de opgeroepen onderluitenant Jelle Bottinga namen de fiets richting de Venedijk. Onderweg sommeerden ze de Rotterdamse marechaussee Adriaan Waals, die de wacht hield bij houthandel Cramer, om mee te gaan.
De boerderij was getipt dat er een overal dreigde. Op 25 of 26 juli bracht de zestienjarige Geert Post de broers Frenkel naar Giethoorn. De oudste zoon, Jan Post, had de broers aangeboden om hen naar Zwolle te brengen, maar dat hadden Frits en Bob afgeslagen. Op de avond van 26 juli 1943 was Geert weer thuis. Hij bracht de Joodse onderduikers naar zolder. Daarvoor zaten ze buiten verstopt, mogelijk in ‘de keet’.
In de nacht van 26 op 27 juli omstreeks half één werd er op de deur van de boerderij gebonsd: “Doe open, politie!” Vanuit de boerderij klonk gestommel en gefluister. Kort daarna werd vanuit de boerderij op de agenten geschoten. De agenten schoten terug. Beide partijen losten zo’n twintig schoten. Boesveld vroeg en kreeg versterking van de Duitse militaire politie uit Zwolle. Marinus Post vluchtte uit de boerderij, waarbij hij een kogel in zijn onderbeen kreeg. Op een boerderij in de buurt pulkte hij de kogel er zelf uit.
Ook student Leo Oudshoorn uit Leiden wist te ontkomen. Erasmiaan André van de Ven werd gearresteerd door Dirk Kwakkel. Annie Post en drie van haar kinderen werden overgebracht naar het politiebureau van Kampen. Claartje zat nog verborgen.
De politie hield die dag de wacht bij de boerderij. Zij vonden onder andere vijf vuistvuurwapens met munitie, twaalf persoonsbewijzen en twee politie-uniformen van de gemeentepolitie Kampen. Bij de boerderij was ook jachtopziener Johannes van ’t Hof aanwezig. Hij kende Dirk Kwakkel goed: beiden werkten bij drankhandel Siebrand en beiden jaagden. Van ‘t Hof wees agent Jouke Bosman op een schuilplaats zo’n 300 meter ten oosten van de boerderij, in een bosje. “Wij horen wel dat hier ook nog een soort schuilplaats is. Daar kunnen volgens mij best nog meer onderduikers of Joden zitten,” staat in het proces-verbaal van Bosman. Jachtopziener Van ‘t Hof ging daarna naar opper Boesveld en een SD’er die elders op het erf stonden en bleef lang met hen praten. Met getrokken geweren gingen Boesveld en de SD’er naar de schuilplaats. Daar vonden zij een paar bedden, maar geen mensen. Claartje was nog niet ontdekt.
Eind van die middag zat marechaussee Adriaan Waals in de woonkamer van de boerderij als hij boven gestommel hoort. Toen hij naar boven ging, zag hij twee meisjes en een vrouw van een jaar of veertig staan. De vrouw maakte op hem een zenuwachtige indruk. Het bleek dat de vrouwen op zolder verborgen zaten achter een schot en dat er ook een jongetje was. De vier onderduikers werden door politiechef Boesveld opgehaald en overgebracht naar het Kamper politiebureau. Daar werd vastgesteld dat het ging om Clara Marianne Slager, Klaartje Morpurgo, Liebe Steinberg-Baumfeld en haar zoontje Harry Steinberg. Joodse onderduikers. Ze werden opgesloten in een politiecel. Annie Post probeerde nog te doen voorkomen dat Harry een zoontje van haar is, maar een agent merkte op “Is dat geen Jodenjongetje?” Ook Harry moest in de cel.
Westerbork | 29 juli 1943
Op 29 juli werd Clara samen met de drie andere Joodse onderduikers overgebracht naar doorgangskamp Westerbork. Omdat Claartje een ‘s-geval’ was – opgepakte onderduikers waren ‘strafgevallen’ – kwam zij in strafbarak 67. In deze barak trof zij een schoolgenootje van het Erasmiaans en het Joods Lyceum: Sonja de Jongh. Sonja was drie dagen eerder aangekomen in Westerbork, op 26 augustus.
In Westerbork deden Claartje en Sonja er alles aan om hun deportatie te voorkomen. Claartje hield zich vast aan haar Sperr-stempel, dat recht gaf op tijdelijke vrijstelling van deportatie. De vraag was alleen of Clara’s stempel nog geldig was. Clara had stempelnummer 40096. De 40.000-stempels werden in 1942 verleend aan vermogende Joden die een emigratieaanvraag indienden en kostbaarheden konden inleveren. Alleen was de serie 40.000 vanaf juni 1943 omgezet in de serie 120.000. Kon Clara’s 40.000-stempel op tijd worden omgezet in een 120.000-stempel?
Er was haast bij. Op 31 juli werd Sonja de Jongh op transport gezet naar ‘het oosten’. Dezelfde dag nam Westerbork contact op met de Joodse Raad in Rotterdam, om te zien wat ze voor Claartje konden doen. Westerbork noteerde op Clara’s kaart: “J.R. Rotterdam zal de zaak onmiddellijk onderzoeken en U zelf schrijven of telegraferen.” Op 1 augustus bleek dat de Joodse Raad Rotterdam deze vraag niet kon beantwoorden. De afdeling die ging over Sperr-stempels voor emigratieaanvragen, was de afdeling Expositur van de Joodse Raad, oftewel Expo. Er was een verklaring nodig van Expo dat Clara’s 40.000-stempel nog geldig was. “Betracht de meeste spoed i.v.m. bijzondere omstandigheden van geval”, schreef iemand op 19 augustus op Clara’s kaart. Clara zat toen al 21 dagen in Westerbork. Sinds het transport van Sonja was er geen transport meer vertrokken naar het oosten.
Claartjes kaart van de Joodse Raad

Kaart uit de Joodse Raad Cartotheek op naam van Slager, Clara Marianne. Op de voorkant staat een datum in rood potlood:
Tr. 24/8 43. Dit is de datum dat Claartje vanuit Westerbork op transport ging naar Auschwitz. Vanuit Kamp Westerbork zijn ruim 102.000 Joden gedeporteerd naar vernietigingskampen en concentratiekampen in Midden-Europa.
Op 21 augustus kwam het verlossende bericht: “Betr. [=betrokkene] staat volgens Expo op 40.000 lijst, die absoluut geldig is.” Op 22 augustus bevestigde ook de Joodse Raad Rotterdam dat spernummer 40096 nog geldig was, alleen moest de Sperre nog worden omgezet in een 120.000-nummer. Op 23 augustus verklaarde Expo dat ook de Zentralstelle für jüdische Auswanderung stempel 40096 nog geldig achtte, en dat de Zentralstelle bereid was dit te bevestigen op aanvraag van de Kommandantur. Kennelijk gebeurde dit. Op 24 augustus kwam de langverwachte Sperrverklaring van de Zentralstelle. Maar het had geen zin meer. Clara’s naam was omgeroepen voor transport. Op 26 augustus, toen Claartje al twee dagen onderweg was naar Auschwitz, werd op haar kaart genoteerd: “Verdere stappen doelloos”.
Transport naar Auschwitz
In de vroege ochtend van 24 augustus 1943 werden in het kamp de namen omgeroepen van de mensen die op transport moesten. Ook de naam Clara Marianne Slager viel. En de namen van haar oom en tante, Mozes de Leeuw en Helena de Leeuw-Roos. Ook zij zaten op dat moment in Westerbork. Mozes en Helena hadden tot 14 mei 1940 een hoedenwinkel op de Hoogstraat in Rotterdam.
Het treinbord Westerbork-Auschwitz, Auschwitz-Westerbork.

“Trein moet gesloten naar Westerbork terug”.
Voor de trein was er een weg terug. Voor de passagiers niet.
Op de transportlijst stonden voornamelijk oude mensen en zieken, maar ook s-gevallen [=strafgevallen]. Omdat drie mannen hadden geprobeerd te ontsnappen, had de Obersturmführer als straf vijftig extra s-gevallen aangewezen voor deportatie: de ene helft uit het ziekenhuis, de andere helft uit de s-barak. Speculatie, maar misschien was Claartje een van deze s-gevallen.
Rond zes uur ’s morgens begon men met het inladen van de ongelukkigen. Het vertrek van dit transport staat uitgebreid beschreven in het dagboek van de Joodse journalist Philip Mechanicus (1889-1944). Een paar fragmenten:
Gistermiddag was, na het opstellen van de voorlopige lijsten, in grote trekken bekend geworden, wat de film te zien zou geven. Hartroerende afscheidsbezoe-ken in het ziekenhuis, afscheid van vrienden van de s-mannen en -vrouwen bij het prikkeldraad van de s-barak. (…) Het publiek [= de Joodse achterblijvers in Westerbork] gistte reeds van verontwaardiging, toen de eigenlijke film kwam. Het bekende procédé met enkele variaties. (…) De wagons lopen vol, de transportabelen staan of zitten in de ingang van de beestenwagens de aankomst van de anderen gade te slaan [= te bekijken]. (…) De wagens worden potdicht gesloten; (…) De trein zet zich in beweging. Voor de langwerpige luchtgaten hoog in de wagens verschijnen koppen van Joden en Jodinnen op een rijtje, als in de poppenkast. Ze trekken voorbij als de bladzijden van een boekje van levende beelden. Naakte, wuivende armen met zwaaiende handen als zelfstandige levende organen steken uit de gaten, als van begraven mensen, die een laatste levensteken geven. Luguber. De zwijgende film is afgelopen. Geen stomp, geen stoot, geen onverkoren woord haast. Desondanks sinister, macaber. Het publiek gaat zijns weegs, sprakeloos, niet bij machte te realiseren, wat het heeft gezien.
Philip Mechanicus, In dépôt (1964), dinsdag 24 augustus.
Tegen elf uur ’s morgens zette de trein zich in beweging. De trein had 27 wagons. Aan boord waren 1001 mensen.
Auschwitz-Birkenau | vanaf 26 augustus 1943
Laat in de avond van 26 augustus 1943, na twee-en-een-halve dag in de trein, arriveerde Clara in Auschwitz-Birkenau. Op het perron van Auschwitz vond de selectie plaats. De SS selecteerde 48 vrouwen en 181 mannen voor dwangarbeid. Daarnaast zette de SS 44 getrouwde vrouwen apart voor de afdeling experimenten. De overige 721 mensen werden vermoord in de gaskamers. Oom en tante De Leeuw behoorden tot deze laatste groep.
Selectie op het perron van Auschwitz. Vrouwen links, mannen rechts.
Clara was een van 48 vrouwen die werden geselecteerd voor dwangarbeid. Zij kregen de nummers 55926 tot en met 55973 toegekend. Dit betekende dat Clara een nummer uit deze serie in haar linkeronderarm kreeg getatoeëerd. Claartje Slager was voor de nazi’s een nummer geworden.
Clara overleefde anderhalf jaar in Auschwitz of in een van de buitenkampen van Auschwitz. Het is niet bekend wat voor werk zij moest doen.

Mogelijk zat Clara in Auschwitz bij het zogenaamde Kanada-Kommando. Vrouwen in deze eenheid hadden een grotere kans om te overleven. Deze gevangenen moesten de bagage van nieuw aangekomen gevangenen sorteren. De Nederlandse Dinie Maas werd met “vijftien Hollandse meisjes” geselecteerd voor dit commando. Zij mochten hun haren laten groeien en konden af en toe douchen. Tussen de achtergelaten bagage op het perron vonden ze soms wat te eten. Toch was het mentaal zwaar. Op het perron vnden ze ook dode baby’s. En soms eigendommen van familieleden. Ze zagen de rijen naar de crematoria gaan. Vanuit hun barakken hoorden ze de wanhoopskreten.
Dodenmars naar Ravensbrück | vanaf 18 januari 1945
In januari 1945 naderde het Sovjetleger Auschwitz. De SS besloot het kamp te ontruimen. Op 18 januari, enkele dagen voor de bevrijding van Auschwitz op 27 januari, moest Clara het kamp met 60.000 andere gevangenen lopend verlaten, onder bewaking van de SS. Nauwelijks gekleed begonnen zij aan hun dodenmars in de sneeuw. De temperatuur was –20 graden. Wie door uitputting niet verder kon, werd door SS’ers doodgeschoten. Van de 60.000 gevangenen die Auschwitz in die dagen verlieten, zouden ongeveer 15.000 gevangenen onderweg sterven. “De sneeuw was rood van het bloed,” herinnerde Edith Grosman zich. Een andere ex-Kanada-gevangene vertelde:
Onderweg zagen we tientallen lijken, van diegenen die niet verder konden. Als we halt hielden, ging ik niet zitten, uit angst dat ik niet meer overeind zou kunnen. De eerste nacht liepen we vijftien kilometer en het was koud. Tijdens de rustpauzen gingen we in een cirkel zitten op de met sneeuw bedekte grond; we zaten rug tegen rug om ons te verwarmen. Zo liepen we wel twee of drie dagen, ’s nachts.
Sonia Goldman-Wassersztrum (1912-2004), Souvenirs de la marche de la mort (1991). pp. 67-73.
De gevangenen deden ongeveer een week over een afstand van zestig kilometer. Na ongeveer 60 kilometer kwamen zij aan in de stad Loslau, het huidige Wodzisław in Polen. Hier werden zij op 25 januari 1945 op de trein gezet. Holocaustonderzoeker Danuta Czech schrijft dat het gaat om een “open goederenwagon (…) waarin de halfdode, bewusteloze en koortsige gevangenen worden geladen. Van daar gaat het verder per trein.”
De trein reed dagenlang rond, van concentratiekamp naar concentratiekamp. Van Gross-Rosen naar Ravensbrück en van daar terug naar Sachsenhausen. Alle kampen waren overvol. Niemand was bereid de 2.000 vrouwen in de trein op te nemen. Op 27 januari werd de Kommandantur van Ravensbrück gedwongen het transport toe te laten. De trein ging opnieuw naar Ravensbrück. Daar kwam de trein aan op 29 januari 1945.
Dit heeft Claartje niet meer meegemaakt. Zij stierf tijdens het eerste deel van de dodenmars, tussen Auschwitz en Loslau, vermoedelijk kort na vertrek uit Auschwitz. In het archief van het Nederlandse Rode Kruis ligt het bewijs:
Bovengen. aanvraagster 6-10-47 medegedeeld dat volgens bericht C.M. Slager omstreeks 18-1-45 door S.S. soldaten is doodgeschoten op transport naar Loslau.
Auschwitz werd op bevrijd op 27 januari 1945. Claartje heeft het net niet gehaald.
Clara is 19 jaar geworden.
Herinnering
Voor Clara Slager zijn twee bomen geplant in Israël. De eerste in 1974, vermoedelijk op initiatief van haar moeder. De tweede in 2009, op initiatief van Anton Stapelkamp, auteur van Een gedenkteken en een naam; Herinneringen aan Joods Hillegersberg en Schiebroek.
Op het Erasmiaans Gymnasium wordt Claartjes naam elk jaar genoemd bij de Erasmiaanse Dodenherdenking.
Voor Claartje en haar vader zijn struikelstenen aangevraagd.
Deze zullen in 2025 worden geplaatst aan de Straatweg.
Terra ei levis sit
Anne Schram Ouweneel, Aldo Golja en Laurens Hooisma onderzochten het leven van Clara Marianne Slager. Deze tekst is geschreven door Anne Schram Ouweneel.