Sonja de Jongh

Sonja de Jongh begin 1942.
Uitsnede van klassenfoto Joods Lyceum Rotterdam.

Sonja de Jongh
(Monaco, 16 juni 1927 Auschwitz, 3 september 1943)

Sonja bleef alleen achter

Sonja de Jongh was aan het begin van de oorlog dertien jaar. Ze was lang en slim. Ze zat op het gymnasium en op hockey. Tot dat niet meer mocht, omdat zij Joods was. Kort na Sonja’s vijftiende verjaardag werd haar familie gedeporteerd. Sonja bleef alleen achter. Ze dook onder in een tent op de Veluwe. Goed verborgen, maar toch werd ze verraden. Alleen haar medaillon bleef bewaard. Tachtig jaar later dook het op.

Geboren in Monaco

Sonja was op 16 juni 1927 geboren in Monaco. Zij had een zes jaar oudere broer John, geboren in 1921 in Amsterdam. Hun ouders waren in 1926 in Frankrijk gaan wonen, waar haar vader Hijman de Jongh, roepnaam Herman, dagbladverslaggever was voor Nederlandse kranten. Zijn grote liefde was echter het damspel. Al op jonge leeftijd was Sonja’s vader damgrootmeester geworden. In 1924 werd hij Nederlands kampioen, in 1928 behaalde hij een gedeelde tweede plaats bij het wereldkampioenschap en in 1938 werd hij Frans kampioen – Frankrijk was destijds het mekka van de damwereld. Daarnaast schreef Herman de Jongh boeken over dammen. “Dammen is mijn leven”, zei hij in een interview uit 1949.

Sonja’s moeder was Sophia Spiero. Over haar is minder bekend. Sophia was geboren in Antwerpen, maar had de Nederlandse nationaliteit. Haar vader Nathan Spiero werkte als diamantkliever. Op de enige bekende foto van Sophia is een slanke brunette te zien.

Mogelijk hadden Sonja’s ouders gekozen voor Monaco als geboorteplaats omdat Hermans boezemvriend Ben Springer daar woonde. Vader Herman kon rond Sonja’s geboorte namelijk niet bij zijn vrouw zijn: samen met Ben Springer deed hij in Parijs mee aan de Internationale Vijfkamp. Wellicht werd moeder Sophia bij de geboorte bijgestaan door de vrouw van Ben Springer, maar dat is speculatie. Herman behaalde bij de vijfkamp de vijfde plaats, ondanks het feit dat zijn dokter hem vanwege zijn gezondheid had aangeraden “van verder spelen af te zien”, aldus een krantenbericht uit 1927. Vermoedelijk schreef Herman dit zelf, want hij schreef nieuwsberichten over de vijfkamp.

Scheiding en verhuizing naar Rotterdam

Het huwelijk tussen Sonja’s ouders hield niet lang stand. In de eerste helft van 1929 woonde vader Herman in Parijs en moeder Sophia in Brussel. In mei van dat jaar, toen Sonja nog geen twee jaar oud was, gingen haar ouders officieel uit elkaar. Had haar vaders liefde voor het damspel een rol gespeeld? In een naoorlogs interview zei Herman de Jongh dat dammen bij de meeste topspelers op de eerste plaats kwam, vóór het familieleven. Over een andere damspeler zei hij: “[Hij] is één van de weinige topspelers geweest bij wie het damspel niet op de eerste plaats kwam; hij heeft zijn werkzaamheden en ook zijn familieleven altijd laten voorgaan.”

Toch speelde er ook iets anders. Opmerkelijk is dat het huwelijk van Sonja’s ouders op dezelfde dag werd ontbonden als het huwelijk van Sonja’s grootouders van vaderskant. De beide echtscheidingen stonden in dezelfde Staatscourant en werden uitgesproken door dezelfde procureur. Ook opmerkelijk is dat Sonja’s moeder en Sonja’s grootvader van vaderskant enkele dagen na de scheiding gingen samenwonen in Rotterdam. Eerst kort aan de Nieuwe Binnenweg en vanaf april 1930 op een bovenwoning aan de Lieve Verschuierstraat. Daarvoor woonden beiden in Brussel. Verre verwanten van Sonja bevestigen dat het om een liefdesrelatie ging. Het roept de vraag op wie Sonja’s vader was. Haar vader of haar opa? Een ongewone familiesituatie die vermoedelijk niet makkelijk was voor Sonja, als zij al op de hoogte was. Officieel was Herman de Jongh haar vader en diens vader Joseph de Jongh haar voogd.

Familie De Jongh toen alles nog goed was. Van links naar rechts Sonja’s vader Hijman ‘Herman’ de Jongh, Sonja’s moeder Sophia de Jongh-Spiero, Sonja’s opa Joseph ‘Joé’ de Jongh, Sonja’s oma Estella de Jongh-Minden (later Estella Tenthof van Noorden-Minden), Sonja’s tante Marianne de Jongh en Mariannes toenmalige partner Meijer ‘Max’ Wolder. De foto is vermoedelijk gemaakt rond 1922-1923, vóór Sonja’s geboorte.

Foto uit de nalatenschap van Maurits Wolder, via Mirjam Wolder.

Eerst een lagere school in Delfshaven, toen het Erasmiaans

In de tweede helft van de jaren dertig zat Sonja de Jongh op een openbare lagere school in Delfshaven, de latere Piet Hein-school. Het schoolgebouw aan Coolhavenstraat 29 biedt nu onderdak aan de Harbour Bilingual School. In die tijd was het een gloednieuw, modern gebouw, geopend in 1930. Op de begane grond zat de jongensschool met hoofdmeester Bos, op de eerste verdieping de meisjesschool met als hoofd juffrouw Waleson. De jongens en meisjes hadden gescheiden speelkwartier. Vanaf de vierde klas kregen de leerlingen facultatief Franse les bij meneer Schareman. Sonja deed aan deze lessen mee. Zo had zij al twee jaar Frans gehad toen zij aan de middelbare school begon.

In 1939 deed Sonja toelatingsexamen voor het Erasmiaans Gymnasium. Zij slaagde en begon in september 1939 in de eerste klas. Meteen in dat eerste schooljaar werd zij lid van de Rotterdam Mixed Hockey Club Gymnasium Erasmianum (R.M.H.C. G.E.). Sonja staat op de groepsfoto van het Paashockeytoernooi van 1940.

Sonja in maart 1940, bij het Paastoernooi van de gymnasiale hockeyvereniging R.M.H.C. G.E. Sonja zit hurkend op de tweede rij van voren, vierde van links, achter de jongen in een wit shirt. Zij draagt haar haar in lange vlechten.

Foto van Tine van Baarle-van Asselt. Uit Schram Ouweneel, A. en J.J. van Oostendorp, Het Erasmiaans Gymnasium in de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen (2003), p.160.

Zo’n anderhalve maand na het Paashockeytoernooi, op 10 mei 1940, viel Duitsland Nederland binnen. Vier dagen later bombardeerden de Duitsers de binnenstad van Rotterdam. Sonja woonde aan de westkant van de binnenstad. Haar straat werd niet getroffen, maar toch zal ze zich bewust zijn geweest van het gevaar. Al was het maar omdat haar beide ouders Joods waren.

Elk schooljaar in een ander gebouw

Aan het eind van de eerste klas ging Sonja met goede cijfers over naar de tweede. Haar beste vak was aardrijkskunde (met eindcijfer 8), haar slechtste vakken waren wiskunde (met eindcijfer 5) en gymnastiek (eindcijfer 4). Ze had zevens voor Frans en geschiedenis. Dit eerste jaar zou het enige schooljaar zijn dat Sonja les had in het schoolgebouw aan de Wytemaweg. In augustus 1940, tijdens de zomervakantie, werd het gebouw namelijk gevorderd door de Duitse Kriegsmarine. De school werd opgesplitst in een locatie Oost en een locatie West. Sonja werd ingedeeld op de locatie West. Zo kwam het dat zij de tweede klas doorbracht in een herenhuis aan de Mathenesserlaan 435.

In juli 1941 werd Sonja bevorderd naar de derde klas, met zevens voor Nederlands, aardrijkskunde en gymnastiek, en voor de andere vakken zessen. Prima cijfers om aan de derde klas te beginnen. Maar aan het eind van de zomervakantie viel bij Sonja thuis een brief van de gemeente op de deurmat. Omdat zij Joods was, mocht ze na de zomer niet terugkeren naar het Erasmiaans. Voor Joodse gymnasium- en hbs-leerlingen richtte de gemeente Rotterdam het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche leerlingen op.


Op een blaadje noteerde de rector van het Erasmiaans, M.J. Pattist, de namen van de Joodse leerlingen die na de zomer van 1941 niet op school mochten terugkomen. Een van de namen was Sonja de Jongh. Van de 25 leerlingen op het lijstje van Pattist zouden 14 tieners de oorlog niet overleven. Sonja was een van hen.

Foto uit archief Erasmiaans Gymnasium.


Tijd op het Joods Lyceum

Sonja woonde met haar moeder, broer en grootvader in een bovenwoning in Rotterdam-West, aan de Lieve Verschuierstraat 18a. Elke dag moest zij dwars door het verwoeste stadscentrum naar het Joods Lyceum, dat aan de andere kant van de stad lag, in de wijk Kralingen. Op het Joods Lyceum kwam Sonja in de derde klas gymnasium. Omdat in deze klas maar vijf leerlingen zaten, had Sonja vaak les met de derde klas hbs. Dit was de klas van de dagboekschrijfsters Esther van Vriesland en Carry Ulreich. Hun dagboeken zijn na de oorlog uitgegeven. Vooral Esthers dagboek geeft een goed beeld van dat schooljaar.


Klassenfoto van de derde klas van het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche leerlingen, begin 1942. De twee staande meisjes bij de deur zijn de gymnasiumleerlingen Rita Bosman (links van de leraar) en Sonja de Jongh (rechts van de leraar, met lange vlechten). Opvallend is dat Sonja vrij lang is in vergelijking met haar leeftijdsgenoten.

Foto uit de nalatenschap van Simon Hornman, via Yolanda Hornman.


In haar dagboek noemt Esther van Vriesland vijf keer de naam ‘Sonja’. Het gaat, zo blijkt uit de originele dagboekschriftjes, om Sonja de Jongh. Zo schreef Esther op 24 februari 1942 dat ze blij was dat Sonja en Rita “niet zulke jongensgekken” waren. Op 26 maart 1942 schreef Esther dat Sonja, Sera en Esther “een ijsco” op hadden, “een Puck en we hebben toen vreselijke lol gehad” (p.92). Een pukkie was een ijsje op een stokje, gewikkeld in vetvrij papier. Je kocht ze bij ijscokarren van Jamin. Misschien waren Esther en haar schoolvriendinnen de ijskar van Jamin tegengekomen tijdens een vrij uur of pauze. In de pauze gingen ze wel eens wandelen om wat lekkers te kopen, bijvoorbeeld bij de noodwinkels aan de verwoeste Goudsesingel.

Vijftiende verjaardag

Voor haar vijftiende verjaardag, op dinsdag 16 juni 1942, kreeg Sonja cadeautjes van haar schoolvriendinnen. Esther van Vriesland schreef:

Sonja de Jongh was woensdag [sic] jarig. Ik heb haar een aardig (Sera’s woordje) vaasje gegeven met schattige lathyrus er in. Sera heeft haar een doorlopend kalendertje en een flesje Eau de cologne gegeven.

Van Vriesland, E., Esther, een dagboek 1942 (1990), p.140.

Een maand later, op vrijdag 17 juli, mocht Sonja thuis een feestje geven. Esther schreef op 1 juli 1942 in haar dagboek:

Sonja heeft een stelletje uitgenodigd om de 17e heel de dag te komen. (…) Van de meisjes komen er: Sera, Liny, Suus en dan zij zelf. Van de jongens: Ab v. Dam, broer daarvan, broer van Sonja en Rob Frieser.

Van Vriesland, E., Esther, een dagboek 1942 (1990), p.145-146.

Sera, Liny en Ab waren klasgenoten van Sonja op het Joods Lyceum: Sera was Saartje Sloves (1925-1944), Liny (eigenlijk Leny) was Helena van Zwanenbergh (1927-1942) en Ab was Abraham van Dam (1924-1943). Ook Robert ‘Rob’ Frieser (1924-1943) was een leerling van het Joods Lyceum. De andere drie genodigden waren ouder: Sonja’s broer John de Jongh (1921-1942), die als bloemist werkte, Abs broer Simon van Dam (1920-1943), die zijn ouders hielp in parfumerie Apollo en ‘Suus’ is waarschijnlijk Susanna van Zwanenbergh (1925-1942), zus van Sonja’s klasgenootje Helena van Zwanenbergh.

Esther kon niet komen; ze kon geen reisvergunning meer krijgen en had er ook niet zo’n zin in. Daarom zullen we nooit weten hoe Sonja’s laatste feestje was. Het zou mooi zijn om te kunnen schrijven dat het heerlijk weer was. Dat de tieners de tuin van de benedenburen mochten gebruiken. Dat er een lange tafel in de tuin stond met limonade en lekkers. Dat er gelachen werd, geroddeld en geflirt. Dat er plannen werden gemaakt voor later.

Maar het was matig weer. De zon scheen niet overvloedig. Het was gemiddeld 15 graden, er stond een windje en misschien regende het zelfs wat. Moeder Sophia had vast iets lekkers gemaakt, maar vermoedelijk had het haar weken gekost om de ingrediënten te verzamelen. Sinds 30 juni 1942 mochten Joden immers alleen boodschappen doen tussen drie en vijf uur ’s middags, en tegen drieën waren veel schappen al leeg. Ook de stemming zal niet optimaal zijn geweest, want eerder die week, op dinsdag 14 juli, de dag van de promotie op het Joods Lyceum, waren in Amsterdam zevenhonderd willekeurige Joden opgepakt. De dag erna vertrok de eerste trein vanuit Westerbork naar Auschwitz. Is het feestje van Sonja onder deze omstandigheden wel doorgegaan? Dat is niet eens zeker.

Deportatie van familieleden

Twaalf dagen na het geplande feestje vielen er twee brieven op de deurmat van de Lieve Verschuierstraat 18a. De ene was voor Sonja’s moeder Sophia, de andere voor Sonja’s broer John. Oproeping!, stond erboven. Beiden waren opgeroepen voor “werkverruiming in Duitschland”:

U moet zich voor eventuele deelname aan een onder politietoezicht staande werkverruiming in Duitsland, voor persoonsonderzoek en geneeskundige keuring naar doorgangskamp Westerbork, station Hooghalen, begeven. Daartoe moet u op 30 juli 1942 om 18 uur op de verzamelplaats Rotterdam Entrepotstraat, Loods 24 aanwezig zijn.

Overgenomen uit Van Bennekom, Trix, Halte Hausdorff, Het leven van David Hausdorff: Joods, huisarts en Rotterdammer (2024).

Het transport – de eerste massadeportatie van Joden vanuit Rotterdam – zou reeds de volgende dag plaatsvinden. Sophia en John hadden dus maar twee middagen de tijd om alles wat op de paklijst stond te verzamelen; zoals gezegd konden zij als Joden alleen ‘s middags een paar uur boodschappen doen. Het hielp niet dat ze als Joden niet meer met het openbaar vervoer mochten en dat ze hun fietsen hadden moeten inleveren.

In de chaos en paniek van die laatste twee dagen heeft moeder Sophia haar juwelen aan Sonja gegeven. Misschien als appeltje voor de dorst, misschien om deze familiestukken veilig te stellen. Meenemen ‘naar het oosten’ mocht niet: in de oproep voor “werkverruiming” stond dat “waardevoorwerpen allerlei soort (goud, zilver, platina) – met uitzondering van trouwringen” niet mochten worden meegenomen.

Op 30 juli 1942 moesten Sophia en John zich ’s avonds om 18.00 uur melden in Loods 24, een havenloods op Rotterdam-Zuid. Sonja is waarschijnlijk niet mee gegaan om daar afscheid te nemen: bij de deportatiebevelen zaten alleen openbaarvervoerbiljetten voor Sophia en John. Sonja’s klasgenootje Carry Ulreich was wel aanwezig in Loods 24. In haar dagboek beschreef zij wat zich daar had afgespeeld. “Misère, overal verschrikkelijke misère. Vertwijfelde mensen!”

Sonja’s moeder en broer werden die avond op transport gezet naar Westerbork, waar zij op 31 juli aankwamen. Een paar dagen later, op maandag 3 augustus 1942, werden ze vanuit Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz.

Kreeg Sonja’s grootvader Joseph de Jongh ook een oproep? Dat is niet bekend. Wel blijkt uit archiefdocumenten dat de woning aan de Lieve Verschuierstraat 18a al een week na de deportatie van Sophia en John was leeggehaald. Op 7 augustus 1942 troffen de Rotterdamse ambtenaren Wilms en Huisman alleen kleding aan: “Sonja de Jongh, Besitzt nur Leibwäsche und Damenkleidung” – Sonja de Jongh bezit uitsluitend ondergoed en dameskleding. Geen vaasje, geen kalendertje, geen eau de cologne. Ook Sophia Spiero en John de Jongh bezaten volgens het document “alleen persoonlijke bezittingen en kleding”, maar Sophia en John waren toen al aangekomen in Auschwitz en bezaten dus helemaal niets meer.

Veel van Sonja’s familieleden werden dat najaar vergast in Auschwitz. Sonja’s oma van moederskant was op 7 september 1942 op transport gezet, Sonja’s oma van vaderskant op 25 september 1942 en Sonja’s opa en voogd Joseph de Jongh op 12 oktober 1942. Sonja bleef alleen achter, net vijftien jaar oud. Haar vader woonde nog steeds in het buitenland. Wat moest ze doen? Waar kon ze naartoe?

Onderduik

Sonja’s laatste officiële adres was Jekerstraat 20I in Amsterdam, op de bel-etage achter. Dit was de woning van Samuel Karel Roos (1894-1944) en zijn echtgenote Eva Roos-Polak (1901-1945). Eva stond aan het hoofd van het huishouden van Kindertehuis Roos van de Joodse Raad. Het is best mogelijk dat Sonja naar dit kindertehuis was verwezen en vervolgens werd opgenomen door het gezin Polak. Een andere mogelijkheid is dat Sonja de familie Polak kende via familie: Eva Roos-Polak was op de een of andere manier betrokken bij de familie Coppenhagen. Sonja’s oma van moederskant heette Vrouwtje Spiero-Coppenhagen.

Ergens tussen de zomer van 1942 en de zomer van 1943 moet Sonja zijn ondergedoken op de noordelijke Veluwe. Een verzetsgroep uit Hulshorst had zich over haar ontfermd. Omstreeks 9 augustus 1943 bracht de verzetsstrijder Johannes Anchelon, schuilnaam Jansen, haar onder in een tentenkamp ten zuiden van Hulshorst. Hij had geen andere plaats voor haar kunnen vinden. In het kamp, dat hemelsbreed op zo’n tien kilometer afstand lag van Het Verscholen Dorp bij Vierhouten, zaten op dat moment al vier andere onderduikers: drie Joodse jongemannen en een gevluchte krijgsgevangene. De Joden waren Herbert Gustav Specht uit Amsterdam (Bart, 19 jaar), Freddy Eduard Spijer uit Amsterdam (Freddy, 25 jaar) en Benjamin van der Zijl uit Hilversum (Ben, 21 jaar). De gevluchte krijgsgevangene was Willem Pieter Huijbrechtse uit Groningen (Wim). Hij was de enige die de oorlog zou overleven. In zijn naoorlogse aangifte tegen de persoon die hem had verraden, verklaarde hij:

In Juni of Juli 1943 ben ik ondergedoken via de organisatie “Vrij Nederland”. Ik werd toen geplaatst op de Veluwe in een kamp te Hulshorst, waar ik terecht kwam bij drie Joden. Ik ben ongeveer vijf weken in dat kamp geweest en op 13 Augustus 1943 werd het overvallen door drie rechercheurs uit Amsterdam. Drie of vier dagen voor dien overval was er een Jodinnetje bij gekomen, die door Anchelon gebracht was, omdat hij geen andere plaats voor haar ter beschikking had. Anchelon was ook in Hulshorst ondergedoken en werkte onder den naam Jansen.

Willem Pieter Huijbrechtse in zijn naoorlogse aangifte.
Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 75879, scan 0107.

De onderduikers werden verzorgd door de familie Van der Vlist. Zegert van der Vlist was als bosarbeider in dienst van Adriaan Ernst Jurriaanse, eigenaar van landgoed Leuvenhorst, destijds het grootste productiebos van Nederland. Zegert van der Vlist woonde afgelegen in het bos, in het huis ‘Kijk Uit’ langs de Hierderweg. Zijn echtgenote Maria van der Vlist-Scheerens kookte voor de onderduikers. Het eten voor de onderduikers werd onder een afgesproken boom gezet, waar zij het later kwamen ophalen: “Het eten werd regelmatig onder een zekeren boom gezet,” zou de moeder van Freddy na de oorlog verklaren.

De onderduikers zaten in tenten “over de weg”, in de woorden van onderduikgever Maria van der Vlist-Scheerens. Vermoedelijk bedoelde zij met ‘de weg’ niet de onverharde Hierderweg, maar het karrenpad dat langs het huis liep, parallel aan de Hierderweg.


In welk bosdeel zat Sonja ondergedoken? Daar is wel iets over te zeggen, dankzij de unieke handgetekende Jurriaanse-kaart. Hierop staan alle bospercelen van de Leuvenhorst ingetekend, met datum van aanplant. Aan de andere kant van het zandpad dat langs de Kijk Uit liep, lag bosvak 28. In dit vak stond op de bospercelen a, b, c, d, e en f met name grove den, aangeplant tussen 1895 en 1924. Het kamp zat waarschijnlijk goed verborgen tussen de jongste aanplant, geplant tussen 1920 en 1924. Dus wellicht op perceel c, en dan het deel dat ver van het zandpad lag, achter perceel b. Op perceel b, direct aan het zandpad, stonden berken en fijnsparren, geplant tussen 1900 en 1920. Wellicht stond het eten onder een berk of fijnspar op perceel b, zo’n beetje halverwege tussen de Kijk Uit en het tentenkamp.


Op het erf van het bosarbeidershuis was overdag vermoedelijk wel wat activiteit, ook van buiten. Er kwam wel eens iemand op bezoek. Daarom kwamen de onderduikers pas na acht uur ’s avonds, als het erf leeg was, naar de pomp op het erf, “om een praatje te maken met de omwonenden”. De omwonenden waren de inwoners van het dubbele woonhuis Kijk Uit: in de oostelijke helft woonde de familie Van der Vlist, in de westelijke helft de familie van een andere bosarbeider. Lange tijd ging alles goed. Tot er iemand arriveerde uit de grote stad.

Verraad

Zegert en Maria van der Vlist voor hun schuur bij Kijk Uit. ‘s Zomers woonden zij hier en verhuurden zij het hoofdhuis.

Bij het bosarbeidershuis ‘Kijk Uit’ stond een losse schuur. In de schuur waren twee slaapkamers, en halletje en een woonkamer. Tijdens de zomermaanden woonden Zegert en Maria van der Vlist in de schuur en verhuurden zij hun hoofdhuis. Een vaste huurder was mevrouw Hessenfeld uit Amsterdam. De gezinnen Van der Vlist en Hessenfeld kenden elkaar goed: in de tweede helft van 1941 was dochter Woutertje van der Vlist kindermeisje geweest bij het gezin Hessenfeld aan de Lairessestraat. Andersom  was de ondergedoken krijgsgevangene in het tentenkamp een bekende van mevrouw Hessenfeld: hij was de zoon van een vriendin.

Rond 17 juli 1943 arriveerde mevrouw Hessenfeld in ‘Kijk Uit’. Dit jaar had zij haar werkster meegenomen naar Hulshorst, mevrouw S. Ook de zoon van mevrouw S. werd uitgenodigd. Mevrouw S. sliep op een van de twee kamers op de eerste verdieping, vermoedelijk de kamer met het kleine vierkante raampje. Vanuit haar kamer had mevrouw S. goed zicht op de pomp. ’s Avonds zag zij de onderduikers naar de pomp komen. Uit het naoorlogse verhoor van mevrouw S.:

Die Mevrouw [Hessenfeld] ging haar vacantie doorbrengen in Hulshorst op de Veluwe. Ik werd door haar met mijn zoon uitgenodigd om daar te komen werken. Omstreeks 17 Juli 1943 vertrokken wij met de familie Hessenfeld naar Hulshorst. Toen ik daar enige dagen was, bemerkte ik dat er enige Joodse mensen in die buurt waren. Deze joden kwamen na 8 uur ’s avonds altijd even naar de pomp, welke bij ons huisje stond. Zij kwamen daar dan een praatje maken met de omwonenden. Zelf heb ik die joden nooit gesproken, omdat ik daar geen tijd voor had en het erg druk had met werken.

Mevrouw S. in haar verhoor. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.30-31.

Het bosarbeidershuis Kijk Uit in 2025. Op de voorgrond, achter de heg, is nog net de bovenkant van de waterpomp te zien. Hier kwamen de onderduikers ‘s avonds een praatje maken. In 1942 stond deze waterpomp op een stenen erf, tegenwoordig op een grasveld.
In het rechterdeel van het huis woonde de familie Van der Vlist. ‘s Zomers verhuurden zij hun huis. Mevrouw S. logeerde hoogstwaarschijnlijk in de kamer met het kleine raampje, geheel rechts op de eerste verdieping. Vanuit dit raam had zij goed zicht op de pomp. 

De foto is gemaakt op 9 augustus 2025, op de dag af 82 jaar nadat Sonja werd ondergebracht in het tentenkamp bij dit bosarbeidershuis.

Foto Anne Schram


Dankzij het CABR-archief is goed te achterhalen wat zich in de weken daarop heeft afgespeeld. Terug in Amsterdam vertelde mevrouw S. aan haar man wat zij had gezien. Meneer S. werkte bij de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, een rooforganisatie van de NSDAP die cultuurgoederen uit bezette gebieden naar Duitsland bracht. Samen gingen meneer en mevrouw S. op bezoek bij politieagent Oude Wolbers, een bekende Amsterdamse jodenjager. Hij werkte bij het Bureau Joodse Zaken in de Paulus Potterstraat. Meneer S. vertelde Oude Wolbers over Joden in Hulshorst die zich aan de meldingsplicht onttrokken, in strijd met de verordeningen. Mevrouw S. lichtte een en ander toe. Oude Wolbers verwees hen naar het Bureau Joodse Zaken aan de Paulus Potterstraat. Meneer S. volgde zijn advies op en stuurde een brief aan dit bureau. Oude Wolbers kreeg de brief in behandeling. Om nadere inlichtingen in te winnen, ging hij samen met zijn collega Kaptijn naar de woning van mevrouw S.

Sinds 15 juli 1943 woonden meneer en mevrouw S. op het adres Zuider Amstellaan 17 huis in Amsterdam. Die woning was “vrijgekomen” toen Joden hem hadden “verlaten”, aldus mevrouw S. in haar naoorlogse verhoor. De man van mevrouw S. had de woning toen toegewezen gekregen door – vermoedelijk – de Sicherheitsdienst: “een Duitse instantie in de Euterpestraat te Amsterdam. Hoe die instantie heette, weet ik niet. Door die instantie werden jodenwoningen geruimd. Mijn man was daar controleur.” Tot de zomer van 1943 had het echtpaar David Cohen (1907-1944) en Selma Sophie Cohen-de Wolff (1913-1943) op dit adres gewoond. De meubels van David en Selma stonden nog opgeslagen in een verzegelde kamer toen meneer en mevrouw S. er kwamen wonen. Later zijn de meubels eruit gehaald “door diezelfde instantie”, aldus mevrouw S.

Politieagent Kaptijn, evenals Oude Wolbers een bekende jodenjager, beschreef in zijn naoorlogse verhoor uitgebreid wat volgde:

Op zekere dag zijn wij toen naar Mevrouw S. gegaan [in Amsterdam], die ons ontving en ons heel nauwkeurig uitduidde, hoe wij ons moesten begeven naar de verblijfplaats van bedoelde joden. Ze had het ongeveer over vier of vijf joden, die in een tent verbleven. In de nabijheid van een boerderij, waar zij met vacantie was. Deze gegevens zijn door ons schriftelijk opgenomen en verder als aangifte behandeld. Verder vertelde mevrouw S.: “Als U op een zekere dag daar naar toe gaat, zal ik maken, dat ik daar ook aanwezig ben en zal ik U daar ter plaatse nog verdere inlichtingen verschaffen. Wij hebben toen opdracht gekregen ons in verband met deze aangifte naar Hulshorst te begeven en deze strafbare joden aan te houden en over te brengen naar ons bureau. In Hulshorst aangekomen, troffen wij inderdaad Mevrouw S. aan bij een boer, waar zij haar vacantie doorbracht. Zij heeft ons toen verder precies gezegd, hoe wij verder moesten handelen. Zij gaf ons de raad ons met de desbetreffende verzorger der joden in verbinding te stellen, dan zou deze wel precies de plaats aanwijzen waar de tent stond. Dit heeft deze boer inderdaad ook gedaan.

Adrianus Cornelis Dirk Kaptijn in zijn verhoor. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.22-23.

De politie ging met drie of vier man op weg naar Hulshorst: “Oude Wolbers, de mij bekende B. en nog enige mannen”, volgens mevrouw S. Toen zij aankwamen, was Maria van der Vlist-Scheerens, de vrouw van de bosarbeider, net aan het koken voor de onderduikers:

In den zomer van 1943 kookte ik eten voor eenige onderduikers, die in het bosch over den weg in twee tenten hun verblijf hadden. In dat kamp waren toen aanwezig F. Speyer, Bart van der Specht, Ben van Zijl en eene Huijbrechtse uit Groningen. Later kwam er een Jodinnetje bij, waarvan ik de naam niet meer precies weet. Ik geloof, dat zij opgegeven heeft: Sonja de Jong.
(…) Op 13 Augustus kwamen hier drie rechercheurs van den S.D. uit Amsterdam om te vragen waar de onderduikers zaten. Toen ik dat niet vertelde, bleken ze precies op de hoogte te zijn van alle handelingen die wij verrichtten met het eten. Zij wisten precies de plaats, waar door ons het eten werd neergezet, zoodat ik direct vermoedde, dat er verraad in het spel was.

Maria van der Vlist-Scheerens in haar getuigenverklaring. Nationaal Archief, archief 2.09.09 CABR, inventaris 75879, scan 0106.

Niemand mocht de deur uit. De agenten controleerden de persoonsbewijzen en stelden vragen aan Maria van der Vlist en haar dochter Woutertje. Maria van der Vlist stond haar mannetje. Ze zei dat zij niet wist waar de onderduikers zaten. In een naoorlogse brief aan de moeder van Freddy Spijer schreef zij wat Jodenjager Kaptein haar toen toevoegde:

“Denk je dat je een rechercheur van Politie uit de stad kunt beduvelen? Wij verslijten een boer ook noet [sic] als zo dom als vroeger. Waarop ik hem antwoordde: Neem mij niet kwalijk maar ik ben geen boer, doch een politiedochter. Dus zei hij, dan weet je wat je te wachten staat. Mijn antwoord was: Zeer zeker, doch als ik niets weet kunt u mij ook niets maken daarvoor.”

Maria van der Vlist-Scheerens in een naoorlogse brief aan A. Spyer-Hillel van Hertzfeld (de moeder van Freddy) (1946, 9 februari). Nationaal Archief, archief 2.09.09 CABR, inventaris 472, scan 0858 [interpunctie en hoofdletters aangepast].

Toen bosarbeider Zegert van der Vlist thuiskwam, bleef een van de politieagenten achter bij de vrouwen, zo verklaarde mevrouw S. na de oorlog. De anderen gingen het bos in. Oude Wolbers:

Enige dagen later zijn wij naar Hulshorst gegaan. Wij spraken daar met de vrouw en de dochter van de verzorger der Joden doch wisten van niets. Wij moesten maar wachten tot haar man thuiskwam. Toen dit zover was, vertelden wij hem, waarvan hij werd beschuldigd en wat hem te wachten stond. Hij koos toen eieren voor zijn geld en bracht hij ons naar de hut. Daar troffen wij enige Joden aan, hoeveel weet ik niet meer.

Gerrit Wilhelmus Oude Wolbers in zijn verhoor. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.24.

Kaptijn:

In die tent troffen wij vier mannen en een vrouw aan, die wij daarop hebben aangehouden en hebben overgebracht naar Amsterdam. (…). Boven op de kamer waar Mevrouw S. logeerde, heeft zij nog eens ons alle gegevens verstrekt, omtrent deze Joden, dat mochten wij niet zeggen, dat zij er iets mede te maken had.

Adrianus Cornelis Dirk Kaptijn in zijn verhoor. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.23.

Mevrouw S.:

Enige tijd daarna zag ik ze weer uit het bos komen en hadden zij enige joden bij zich. Zij hadden ook een Christenjongen bij zich, een zoon van de vriendin van Mevrouw Hesslenfeld [sic]. Ik meen mij te herinneren, totaal 4 man.

Mevrouw S. in haar verhoor. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.30-31.

Opvallend is de onduidelijkheid over het aantal onderduikers. Mevrouw S. heeft het consequent over vier man. Kaptijn heeft het over “vier of vijf Joden” en in een ander verhoor over “vier mannen en een vrouw”. Oude Wolbers weet het niet meer. De verklaring ligt voor de hand. Aannemelijk is dat mevrouw S. het verraad pleegde vóórdat Sonja door Anchelon naar het tentenkamp was gebracht. Sonja zat volgens Wim Huijbrechtse immers pas “drie of vier dagen voor den overval” in het kamp. Mevrouw S. vertelde de Amsterdamse politie dus naar waarheid dat het ging om vier onderduikers. Toen Sonja omstreeks 9 augustus 1943 in het tentenkamp kwam, wist ze niet dat het kamp al ten dode opgeschreven was. Het verraad was al gepleegd, de dobbelsteen gegooid, de machinerie in werking gezet. Sonja heeft enorm veel pech gehad.

De agenten keerden terug uit het bos met de onderduikers. In de schuur van ‘Kijk Uit’ werden de onderduikers vastgehouden en ondervraagd. Daarna werden de onderduikers meegenomen. Eerst het zandpad af richting het kruispunt Hierderweg – Schapendrift (vlak bij de plaats waar zo’n vier maanden eerder een Britse Lancaster-bommenwerper neerstortte) en daarna door het bos naar het stationnetje van Hulshorst. Het station waarover Gerrit Achterberg dichtte:

Hulshorst, als vergeten ijzer
is uw naam, binnen de dennen
en de bittere coniferen,
roest uw station;
waar de spoortrein naar het noorden
met een godverlaten knars
stilhoudt, niemand uitlaat,
niemand inlaat, o minuten,
dat ik hoor het weinig waaien
als een oeroude legende
uit uw bossen: barse bende
rovers, rans en ruw
uit het witte Veluwhart.

Gerrit Achterberg, Hulshorst. In Eiland der ziel (Maastricht, 1939).

Sonja werd op vrijdagavond 13 augustus om 20.10 uur door politieagent Oude Wolbers overgebracht naar een Amsterdams politiebureau voor “nachtverblijf”, samen met Bart, Freddy en Ben. Bij fouillering bleek dat Sonja één gulden op zak had. In het politiebureau moest Sonja haar handtekening zetten. Voor zover bekend is dit het enige handschrift van Sonja dat bewaard is gebleven. Met veel moeite zijn de letters SdJ te ontcijferen. Haar cursieve krabbel lijkt op een schreeuw.


In het fouilleringsregister van de Amsterdamse politie staat Sonja’s handtekening (rechterkolom, midden). De handtekeningen erboven en eronder zijn van politieagenten. Bij haar arrestatie had Sonja één gulden op zak (fl. 1,=).

Bron: Stadsarchief Amsterdam, archief 5225 Politierapporten 1940-1945, inventaris 7188: No. 225 (13 augustus, 20.15).


De juwelen van Sonja

Het verhaal kreeg een staartje. Een paar dagen na de arrestatie kwam op Bureau Joodse Zaken het bericht binnen dat zich op de onderduikplek in Hulshorst “enige Juwelen zouden bevinden, die door bovenbedoelde Joden in de grond zouden zijn gestopt”:

Een paar dagen daarna kwam juffrouw S. ons weer in Amsterdam opzoeken en vertelde, dat er in Hulshorst nog juweelen enz. waren achtergebleven en ook dat door de huisgenooten van dien boer, waar de Joden waren geweest, de banden van het rijwiel van een der Joden waren afgehaald. Zij wilde een deel van die juweelen hebben. Daar zijn wij niet op ingegaan.

Adrianus Cornelis Marinus Kaptein in zijn verhoor, Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 75879, scan 0107 en 0108. 

De politie ontbood de onderduikgevers voor verhoor. Woutertje van Aken-van der Vlist, de dochter van Zegert en Maria, ging met de trein naar Amsterdam. Ze nam een enkele reis; ze ging ervan uit dat ze opgepakt zou worden en niet zou terugkeren. Bij de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat verklaarde zij dat zij de juwelen nog in haar bezit had. De verbalisant schreef in zijn verslag:

Ik, verbalisant, heb deze juwelen gezien en bleken dit te zijn: 2 colliers, 1 armband, 1 broche en 1 medaillon met twee fototjes [sic]. Verder was er bij 1 ring, vermoedelijk van de gearresteerde Ben van Zijl (Jood). Ik heb haar aangezegd, deze voorwerpen zorgvuldig te bewaren.

Verbalisant. Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753, p.24-25.

Aan wie hadden de colliers, de armband, de broche, de ring en het medaillon toebehoord? Waren deze juwelen van Sonja? Uit de naoorlogse verklaring van Maria van der Vlist-Scheerens blijkt dat dit inderdaad het geval was. Zij heeft het immers over de “juweelen van het jodinnetje“:

Eenige dagen na het gebeurde, moest mijn dochter in de Euterpestraat te Amsterdam komen, waar haar werd verteld, dat wij de banden van de fiets hadden verwisseld en tevens dat de boscheigenaar den avond van den overval bij ons thuis was geweest. Ook werd daar gesproken over juweelen van het jodinnetje, die wij in bezit zouden hebben. Zij heeft dit natuurlijk ontkend. Nadien hebben wij er nooit meer wat van gehoord.

Maria van der Vlist-Scheerens in haar naoorlogse getuigenverklaring. Nationaal Archief, archief 2.09.09 CABR, inventaris 75879, scan 0106.

Westerbork

Op 25 of 26 augustus werd Sonja op de trein gezet naar Westerbork, tegelijk met de drie jongemannen die op 13 augustus samen met haar waren opgebracht: Bart Specht, Freddy Spijer en Ben van der Zijl. De trein passeerde het stationnetje van Hulshorst, waar “de spoortrein naar het noorden | met een godverlaten knars | stilhoudt, niemand uitlaat, | niemand inlaat”, zo dichhte Achterberg. Station Hulshorst maakte deel uit van de Centraalspoorweg, de lijn van Utrecht naar Kampen. Dit was de kortste treinverbinding tussen de Randstad en Noord-Nederland.

Bij aankomst in Westerbork gaf Sonja op als beroep: Schneiderin – naaister. Omdat Sonja een ‘S-fall’ ofwel ’S-geval’ was – opgepakte onderduikers waren ‘strafgevallen’ – kwam zij in strafbarak 67. Het is de barak waarin een jaar later ook Anne Frank terecht zou komen. Strafgevallen kregen minder eten en drinken dan de andere gevangenen. Meestal gingen zij met het eerstvolgende transport mee naar ‘het oosten’.

In strafbarak 67 moet een bijzondere ontmoeting hebben plaatsgevonden. Een schoolgenoot van Sonja van het Erasmiaans Gymnasium en het Joods Lyceum, Claartje Slager, kwam drie dagen na Sonja in dezelfde barak terecht. Claartje was toen net gearresteerd bij een overval in Kamperveen. Ook zij was verraden. Op het gymnasium en het Joods Lyceum had Claartje één klas hoger gezeten dan Sonja. Hadden de twee meisjes op school goed contact gehad? Doet dat er nog toe als je allebei alleen bent en je elkaar ontmoet in Westerbork?

In Westerbork probeerden Sonja en Claartje beiden hun deportatie te voorkomen. Sonja verzocht het kamp contact op te nemen met de familie Van Os aan de Hudsonstraat 41c in Rotterdam, met het verzoek een envelop met papieren op te sturen: geboorte-, scheidings- en voogdijpapieren. Het blijkt te gaan om het gezin van Joannes van Os, los werknemer, geboren op 2 april 1882. Hij woonde op dat adres met zijn tweede vrouw Aaltje Norden. Op het eerste gezicht is onduidelijk was hun relatie met het gezin De Jongh kan zijn geweest. Wellicht was Sonja bevriend met het jongste kind van Joannes, Hendrika Maria van Os uit 1926. Mogelijk zaten zij op dezelfde lagere school. Het kan ook zijn dat een van de oudere dochters van Van Os werkster was bij het gezin De Jongh. Had de familie De Jongh de niet-Joodse familie Van Os in vertrouwen genomen? Dat moet haast wel.

Westerbork nam contact op met de Joodse Raad, afdeling Rotterdam. Op 4 september noteerde een zekere Vos op Sonja’s Joodse Raad-kaart dat er bij de Joodse Raad in Rotterdam geen bewijzen van echtscheidingspapieren aanwezig waren. Niets over de familie Van Os. Maar het had al geen zin meer. De volgende notitie op de kaart is: “Verdere stappen geen doel”. Sonja was reeds op 31 augustus 1943 op transport gezet naar Auschwitz. Op het transport zat ook een ander schoolgenootje van het Joods Lyceum, Marianna ‘Nannie’ Stork. Nannie had ondergedoken gezeten in Zwijndrecht; ook zij was verraden.

Sonja’s trein deed er drie dagen over om in Auschwitz te komen. De trein stopte nog in Cosel, ongeveer 80 kilometer voor Auschwitz. Hier werden tweehonderd mannen uit de trein gehaald om dwangarbeid te verrichten. Freddy Spijer en Ben van der Zijl zijn hier hoogstwaarschijnlijk geselecteerd. Sonja’s leeftijdsgenootje Bart Specht ging net als Sonja na een kort oponthoud door naar Auschwitz.

Bij aankomst in Auschwitz werden Sonja en Bart op het perron geselecteerd voor de gaskamer. Zij werden nog diezelfde dag vergast. Het was Barts verjaardag.

Sonja’s medaillon

Bestaat het medaillon van Sonja nog? Zouden de originele fotootjes er nog in zitten? Van wie zouden de foto’s in het medaillon geweest zijn? In 1943 had de verbalisant van het Amsterdamse politiebureau Woutertje van der Vlist aangeraden om de juwelen goed te bewaren. Als het medaillon ergens was, dan bij Woutertje van der Vlist of haar nazaten. Zou Woutertje nog leven? Zou zij zich Sonja nog herinneren?

Sonja’s medaillon in 2025. Het gaat om een Victoriaans rouwmedaillon uit Duitsland, gemaakt tussen 1880 en 1900. Het medaillon is gemaakt van goud en ingelegd met zwart emaille.

In de zomer van 2025 ging Anne Schram Ouweneel op zoek naar Woutertje van Aken-van der Vlist. Zij bleek in 2020 overleden. Een speurtocht leidde naar haar dochter en kleindochter. Daar kwam het medaillon snel op tafel. Een gouden medaillon, rechthoekig, met een bloemenmotief, ingelegd met zwart emaille en steentjes. Een vergelijkbaar medaillon op internet vertelt dat het gaat om een Victoriaans rouwmedaillon uit Duitsland, gemaakt tussen 1880 en 1900. De economische waarde is gering; de echte waarde zit in het verhaal, in de betekenis. En een medaillon kan voor verschillende mensen verschillende betekenissen hebben.

De oorsprong van het medaillon was Woutertjes dochter volledig onbekend. Voor Tiny is dit het medaillon dat zij van haar geliefde moeder kreeg. In het medaillon bewaart zij de portretten van haar twee overleden echtgenoten. De oorspronkelijke foto’s waren al in de vorige eeuw volledig vergeeld. Zelfs het geslacht van de geportretteerden was niet meer vast te stellen. De foto’s bestaan dus niet meer. Maar Sonja’s medaillon wel.

Vader en neef

Sonja’s vader Herman de Jongh, de damgrootmeester, overleefde de Tweede Wereldoorlog in Willemstad op Curaçao. Aan het begin van de oorlog was hij oorlogscorrespondent geweest bij het Franse leger voor Aneta (Algemeen Nieuws- en Telegraaf-Agentschap). In een interview uit 1949 vertelde hij dat hij Frankrijk was ontvlucht toen de Duitse troepen oprukten. Via Zuid-Frankrijk en Jamaica was hij terechtgekomen op Aruba en Curaçao, waar hij zich aansloot bij de Intelligence Service van de Nederlandse Marine.

Na de oorlog keerde Herman terug naar Nederland. Hij vond daar alleen een neef in leven, Maurits Wolder (‘Maud, Boppa’), zoon van zijn zuster Marianne de Jongh (1900-1943). Maurits, die twee jaar ouder was dan Sonja en haar ongetwijfeld heeft gekend, was op 11 januari 1943 bij Haren uit de trein naar Auschwitz gesprongen. Hij overleefde de oorlog in de onderduik in Zaandam. Na de oorlog kwam hij weer in contact met zijn oom Herman, zo vertelde hij in zijn interview voor het Spielberg-project:

Ik was toentertijd in Den Haag en op een gegeven ogenblik stond ineens mijn oom Herman, de broer van mijn moeder, Herman de Jongh, voor mijn neus. Die had toen de oorlog uitbrak in Parijs gewoond, was via Zuid-Frankrijk naar Curaçao gegaan, had daar de oorlog doorgebracht en was teruggekomen naar Nederland, op zoek naar zijn familie die eventueel nog in leven was. Hij trof ook niemand, maar is er uiteindelijk achter gekomen dat de zoon van zijn zuster, dat die nog in leven was, en heeft mij gevonden.

USC Shoah Foundation Institute testimony of Maurits Wolder, VHA Interview, Code: 8590 [transcript via Mirjam Wolder].

Herinnering

Sonja de Jongh wordt nog elk jaar herdacht op haar oude school, het Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam.

 

Terra ei levis sit

 


 

Dit essay is geschreven door Anne Schram Ouweneel op basis van eigen onderzoek. Met dank aan Bert Tenthoff van Noorden, Mirjam Wolder, Tiny van Aken, Paula den Bak, Govert Jurriaanse, Gerrit Storteboom, Sylvia Eisma, Hans Swanenburg, Carla Berkhout, Loes Wijnbergen, Judith Vis, Ronald Ketelaar en Christa Schepen die elk een puzzelstukje aandroegen.

Het CABR-archief was in 2024 en begin 2025 nog niet doorzoekbaar op naam van slachtoffer. Gelukkig maakte een onbekende op Sonja’s pagina op Joods Monument de volgende notitie: “Deze persoon komt voor in een CABR-dossier van het Nationaal Archief. In het CABR bevindt zich een verslag van de arrestatie van deze persoon onder inv. nr. CABR 472 + 753”. Alleen dankzij deze notitie was het mogelijk om het laatste levensjaar van Sonja te reconstrueren. Het openbaar en doorzoekbaar maken van de CABR-archieven is essentieel voor nabestaanden en onderzoekers die de levens van oorlogsslachtoffers proberen te reconstrueren.

De politieagenten Gerrit Oude Wolbers en Adriaan Kaptijn zijn na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf. Later werd dit omgezet in twintig jaar gevangenisstraf. Kaptijn kwam na acht jaar vrij. Meneer S. is tijdens de oorlog omgekomen in Duitsland. Mevrouw S. is na de oorlog veroordeeld tot vijftien jaar gevangenschap.

In dit verhaal is ervoor gekozen om veroordeelden die handelden vanuit hun functie bij naam te noemen.


Selectie uit de gebruikte bronnen

Archieven van de stad Antwerpen, Vreemdelingenregister 1840-1930, referentienummer vreemdelingendossier 88306, periode 1886-1900: no 3666 / 2113 [?].

Arolsen Archives [diverse kaarten uit de cartotheek van de Joodse Raad].

Bennekom, Trix van, Halte Hausdorff, Het leven van David Hausdorff: Joods, huisarts en Rotterdammer (2024).

Broekhoven, S., Van Ginkel-Meester, S., Kolman, C., Rommes, R., Stades-Vischer, E., & Stenvert, R. (2004). Monumenten in Nederland, Zuid-Holland, Delfshaven (gemeente Rotterdam). DBNL. Geraadpleegd op 10 oktober 2024, van https://www.dbnl.org/tekst/sten009monu10_01/sten009monu10_01_0029.php.

‘Dammen: Internationale Vijfkamp te Parijs’ (1927 06 21). De Avondpost [via Delpher].

‘De Jurriaanse kaart’, in Facebook-groep Leuvenhorst en Hulshorsterzand (2019, september).

Drost, Frank, ‘H. de Jongh en zijn successen’ (1985, 14 december). Trouw [via Delpher].

Herinneringen aan de Piet Hein School 1900-1945 (z.d.), SchoolBANK.nl – vind je oude klasgenoten terug. Geraadpleegd op 10 oktober 2024, van https://www.schoolbank.nl/school/piet-heinschool/herinneringen.

Jongh, Herman de (z.d.). Joods biografisch Woordenboek. Geraadpleegd op 23 september 2024, van https://joodsbw.nl/id/P-5849.

Joods Monument [diverse pagina’s].

Nationaal Archief, archief 2.09.09 CABR, inventaris 472.

Nationaal Archief, toegang 2.09.09 CABR, inventaris 753.

Nationaal Archief, archief 2.09.09 CABR, inventaris 75879.

Nationaal Archief, toegang 2.09.34.02 Commissie tot het doen van Aangifte van Overlijden van Vermisten: VP-dossiers (Vermiste Personen), inventaris 670, nummer 0173: ‘de Jongh, John’.

NIOD, toegang 093a Boedel inbeslagname documenten, inventaris 69: Spiero Sophia: Jozeph de Jongh; de Jongh, Sonja.

Noord-Hollands Archief, toegang 358.6 Huwelijksakten van de gemeente Amsterdam 1929, inventaris 3042, aktenummer Reg. 1B fol: Echtscheidingsakte Joseph de Jongh en Estella Minden, 30-07-1929.

Oorlogsbronnen [diverse pagina’s].

Ribot, Hendrik, ‘De Vrijbuiters van Leuvenhorst’, geraadpleegd op 21 augustus 2025 van http://www.ribot.nl/leuvenhorst.html.

Roozenburg, Piet (z.d.). Een halve eeuw Roozenburg-opstelling (deel 3); J.H. (Johan) Vos. History of the Roozenburg Formation – World Draughts Forum [oorspronkelijk in Dammen]. Geraadpleegd op 28 september 2024, van https://damforum.nl/bb3/viewtopic.php?t=1503.

Sacharov, Ivan, ‘Klassieker 154: Gerrit Achterberg – Hulshorst’ in Meander magazine (z.d.). Geraadpleegd op 2 september 2025 van https://meandermagazine.nl/2012/03/klassieker-154-gerrit-achterberg-hulshorst/.

Schram Ouweneel, A. (2023). ‘Het vergeten verhaal van het Joods Lyceum Rotterdam, 1941-1943’, in Rotterdams Jaarboekje, reeks 13, jaargang 1, 206-227.

Schram Ouweneel, A. (2024, 24 september). Het Joods Lyceum. Erasmiaans Gymnasium. Geraadpleegd op 27 september 2024, van https://www.erasmiaans.nl/de-school/erasmiaanse-namen/het-joods-lyceum/.

Schram Ouweneel, A. (2024, 18 juli). Historische foto: Hockeyclub Gymnasium Erasmianum 1940. Semper Floreat. Geraadpleegd op 18 juli 2024, van https://www.semper-floreat.nl/hockeyclub-gymnasium-erasmianum-1936-1946/.

Stadsarchief Amsterdam, archief 5225 Politierapporten 1940-1945, inventaris 7158: 13/8-43 20.10 Sonja de Jongh [volgnummer 17].

Stadsarchief Amsterdam, archief 5225 Politierapporten 1940-1945, inventaris 7188: No. 225 (13 augustus, 20.15) [deel 3, volgnummer 9 of 11].

Stadsarchief Rotterdam, toegang 29 Archieven van de Nederlands Israelitische gemeente (NIG) te Rotterdam, inventaris 789 Stukken met betrekking tot het onderwijs aan joodse leerlingen, die door de bezetter op de gewone Nederlandse scholen niet meer werden toegelaten: Febr. ’42, Weekindeeling.

Stadsarchief Rotterdam, toegang 62 Archief van de Latijnse school, vanaf 1841 het Erasmiaans Gymnasium te Rotterdam, inventaris 251: Gymnasii Erasmiani Discipulorum, Album Quartum, 1934–1951.

Stadsarchief Rotterdam, toegang 62, inventaris 299: Toelatings-examen 1939.

Stadsarchief Rotterdam, toegang 62, inventaris 299: Verzamelstaat klasse I-A, 3e rapport 1939-‘40.

Stadsarchief Rotterdam, toegang 62, inventaris 299: Verzamelstaat klasse II – W, 3e rapport 1940-‘41.

Stadsarchief Rotterdam, toegangsnummer 62, inventaris 535: 1941 Gymnasium Erasmianum [Notitie rector Pattist].

Stadsarchief Rotterdam, toegang 62, inventaris 561: De Jongh, Sonja’ [leerlingkaart].

Stadsarchief Rotterdam, toegang 351-01 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Onderwijs, inventaris 1333 (1942), dossier 59 Hogere Burgerscholen en Lyceum: Verslag omtrent den toestand van het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche Leerlingen aan den Speelmandwarsstraat 7 Rotterdam (O.) over het jaar 1941 (van 23 Oct. – openingsdatum tot en met 31 december 1941) (1942, 22 januari).

Stadsarchief Rotterdam, toegang 396-07 Pandkaarten 1860-1993, inventarisnummer 50, volgnummer 119: Lieve Verschuierstraat 18.

Stadsarchief Rotterdam, diverse gezinskaarten, waaronder: toegang 494-03 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Bevolking: bevolkingsboekhouding van Rotterdam en geannexeerde gemeenten 1829-1990, inventaris 851-449, volgnummer 0483648: Gezinskaart Sophia Spiero.

Tenthoff, B. (z.d.). Estella Tenthoff van Noorden-van Minden. History and Genealogy. Geraadpleegd op 28 augustus 2024, van https://tenthofvannoorden.nl/berichten-2/.

Ulreich, C., ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (Utrecht 2016), 52-57.

USC Shoah Foundation Institute testimony of Maurits Wolder, VHA Interview Code: 8590 [transcript via Mirjam Wolder].

Van Dam (1957, 22 juni). ‘Dammen, De ernst van het spel; een belangrijke mijlpaal’. De Maasbode, 6 [via Delpher].

Van der Pol-Schilthuis, I. (2003). ‘Op stap met onze docent aardrijkskunde’, in Schram-Ouweneel, A. & J. van Oostendorp (reds.), Het Erasmiaans Gymnasium tijdens de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen, 160.

Van Oostendorp, J. (2003). ‘Het Erasmiaans en de wereld’, in Schram-Ouweneel, A. & J. van Oostendorp (reds.), Het Erasmiaans Gymnasium tijdens de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen, 19.

Van Rens, H., & Wilms, A., Tussenstation Cosel. Joodse mannen uit West-Europa naar dwangarbeiderskampen in Silezië, 1942–1945 (Hilversum 2020).

Van Vriesland, E., Esther; een dagboek 1942 (Utrecht 1990) 64, 92, 137, 140, 145.

Westland, Henk G., ‘Marechausseepost Hulshorst in het nauw’, in Marechaussee Contact (2022, december, jaargang 21, no. 6), 22-25.

‘Wij spraken met: Herman de Jongh, Dammen is mijn leven’ (1949, 21 juli). De Noord-Ooster, 4 [via Delpher].

Wikipedia-bijdragers. (2025, 7 juni). Spoorlijn Utrecht – Kampen. Geraadpleegd op 2 september 2025, van https://nl.wikipedia.org/wiki/Spoorlijn_Utrecht_-_Kampen.

Wikipedia-bijdragers (2015, 18 mei). Herman de Jongh (dammer). Geraadpleegd op 23 september 2024, van https://nl.wikipedia.org/wiki/Herman_de_Jongh_(dammer).

Wikipedia-bijdragers (2023, 7 april). Herman de Jongh. Geraadpleegd op 23 september 2024, van https://fr.wikipedia.org/wiki/Herman_de_Jongh.

‘Wolder (Maurits/Maud)’ (2024, 23 maart). Joods Monument Zaanstreek. Geraadpleegd op 27 september 2024, van https://www.joodsmonumentzaanstreek.nl/wolder-maurits-maud/.