Davy Croll

David Croll (1911 – 1943)

Erasmiaan Johnny Wang onderzocht het leven van Erasmiaan David Croll voor zijn profielwerkstuk.

Fragment uit brief van Jean Louis Boele van Hensbroek aan de moeder van Davy Croll, 15 oktober 1945.

David Croll (roepnaam Davy) wordt op 11 januari 1911 geboren in Bussum. Zijn vader en grootvader dragen dezelfde naam: de naam David wordt steeds doorgegeven aan de oudste zoon. Davy’s opa emigreerde aan het eind van de negentiende eeuw vanuit Schotland naar Rotterdam om in de scheepsbouw te werken. In 1889 werd Davy’s grootvader benoemd tot directeur van de NSBM. Hij werkte voor Wilton Feyenoord en was een opkomende havenbaron in Rotterdam.

Davy heeft twee zusjes en een broertje: Reina, Hans en Betty. De laatste overlijdt op veertienjarige leeftijd aan kinderkanker. Zeker voor haar dood is het een gelukkig gezin. Alle kinderen zijn begaafd en zitten op het Erasmiaans. De vader speelt cello, de moeder piano, Reina viool en Davy altviool. Met name de twee oudsten, Davy en Reina, kunnen het goed met elkaar vinden.

Jaren op het Erasmiaans

Davy gaat eerst naar de Nieuwe Kralingsche School aan de Rozenburglaan. In 1923 komt hij op het Erasmiaans. Tijdens zijn schooltijd is Davy lid van een scholierendispuut, vermoedelijk het Illuster Gezelschap Erasmus. Dit was een studentikoze, wat geheimzinnige herenclub met veel aandacht voor debat.

Davy is heel slim. Hij blijft nooit zitten en slaagt in 1929 met een alpha- en een bèta-diploma. Tijdens zijn schooltijd gaat hij een jaar naar een kostschool op het eiland Wight in Engeland om zijn Engels te verbeteren. Ondertussen tennist hij bij de Tennis Club Kralingen, waarvan zijn vader voorzitter is.

Studie chemie in Utrecht

In 1930 gaat Davy chemie studeren in Utrecht. Hij woont in de Zadelstraat en is lid van het Utrechtse Studentencorps (USC). Hij zit in de kroegcommissie, in Utile Dulci en in een paar andere besturen. Ook tennist hij bij studententennisclub Ab.Boven. Ten slotte is hij lid van Triton, de Utrechtse Studentenroeivereniging. Omdat Davy klein en licht van postuur is, is hij de ideale stuurman. Tegelijkertijd blijft hij voetballen en squashen in Rotterdam. Davy was een sterke squashspeler.

In 1930 en in 1933 winnen Davy’s boten, de Jonge Acht II en de Jonge Vier, de varsity, een belangrijke roeiwedstrijd tussen de Nederlandse studentenroeiverenigingen. Dit leidt tot grote vreugde. Mogelijk is Davy de stuurman van de allereerste boot in het filmpje. Davy staat nog steeds vrij hoog (op nummer 42) in de ‘eeuwige blikkenlijst’ van Triton.

Davy geniet dus van zijn studentenleven. Eens vraagt hij een meisje mee uit naar een galabal. Daar aangekomen stelt hij voor om eerst een glas champagne te halen bij de champagnebar. Het meisje zou in 1950, na de dood van Davy, trouwen met diens broer Hans.

Nederlands-Indië

In 1939 slaagt Davy voor zijn doctoraalexamen. Kort voor 10 mei 1940 vertrekt hij naar Nederlands-Indië voor zijn eerste baan: chemicus bij de BPM, de Bataafse Petroleum Maatschappij, op Sumatra. In de avonduren doet hij promotieonderzoek in een laboratorium. Als de oorlog begint, verliezen zijn ouders het contact met Davy. Via zijn vriend Jean Louis Boele van Hensbroek, de latere oprichter van uitgeverij Lemniscaat, weten we wat Davy is overkomen.

KNIL en krijgsgevangenschap

In augustus 1941 wordt Davy opgeroepen voor militaire dienst. Hij wordt geplaatst in de officiersopleiding CORO (Corps Opleiding Reserve Officieren). Na vier maanden komt er een voortijdig einde aan zijn officiersopleiding als Japan op 7 december 1941 de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor bombardeert. Davy wordt CORO-sergeant bij de artillerie. Op 10 maart 1942, bij de capitulatie van het KNIL, het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, ontmoeten Davy en Jean Louis elkaar bij Fort Modoeng op het eiland Madoera.

Davy en Jean Louis worden als krijgsgevangene overgebracht naar Soerabaja, waar ze tot midden oktober verblijven. Davy’s gezondheid is zwak. Hij heeft veel last van hoofdpijn en duizeligheid. Als gevolg daarvan gaat hij zelden buiten het kamp op corvee. Hij bestudeert de thermodynamica en geeft Engelse les.

In oktober 1942 worden Davy en Jean Louis per trein naar Batavia gestuurd, om vervolgens te worden ingescheept naar Singapore. In kamp Chanfi, voor de kust van Singapore, hebben zij de beste tijd van hun krijgsgevangenschap. Het kamp staat onder leiding van Engelsen. Japanners komen er zelden. In de bibliotheken van het kamp bestudeert Davy Engelse literatuur en filosofie. Ook geeft hij Nederlandse les aan Engelse officieren. Davy maakt makkelijk vrienden en wordt vaak door de Engelsen uitgenodigd om een praatje te houden over zijn reizen. Twee keer krijgt hij hevige malaria.

Op 15 april 1943 worden Davy en Jean Louis samen met vele andere krijgsgevangenen op transport gezet naar Thailand: eerst vier dagen met de trein en dan een aantal nachtelijke marsen. Vanuit kamp Kinsayok leggen krijgsgevangenen een weg aan parallel aan de Birma-spoorlijn. Davy komt in de keuken te werken. Op 6 mei wordt Davy naar het zogenaamde ‘tienkilometerkamp’ gestuurd, tien kilometer ten noorden van Kinsayok. Als Davy en Jean Louis afscheid nemen, is Davy nog tamelijk gezond en in goede moed.

Japanse interneringskaart van Davy Croll uit het Japanse krijgsgevangenenkamp Kinsayok in Thailand. Het is een van de vele kampen aan de Birma-spoorlijn. Op het ‘hoogtepunt’ heeft Kinsayok 2200 gevangenen, waarvan 1600 Nederlanders en 600 Engelsen en Australiërs. De omstandigheden in het kamp zijn erbarmelijk en uitzichtloos. Door het voedselgebrek, de slechte hygiënische omstandigheden en het zware werk, zijn de krijgsgevangenen zeer vatbaar voor besmettelijke ziektes als dysenterie, geelzucht, cholera, malaria, tyfus en cholera. Men krijgt bovendien steeds meer last van ongedierte, zoals vlooien en hoofd-, kleren- en wandluizen. De geïnterneerden moeten soms urenlang op appèl blijven staan. Op pogingen tot ontsnapping staat de doodstraf, waarbij de gevangene wordt geëxecuteerd voor de ogen van andere gevangenen. Bron: Nationaal Archief.

Omstreeks 1 juni 1943 wordt Davy in het kampziekenhuis opgenomen met diarree. Op 11 juni 1943 wordt hij ‘s morgens vroeg dood aangetroffen. Het blijkt dat hij leed aan paradysenterie. In zijn slaap is hij kalm overleden aan een darmbloeding. Volgens de Japanse interneringskaart overlijdt hij echter op 12 juni 1943 om 15.30 uur.

Davy wordt samen met sergeant Temple, een andere krijgsgevangene, begraven “aan den voet van een groote bamboestoel even buiten het 10 km-kamp.” Bij zijn begrafenis zijn alle Nederlanders in Kinsayok aanwezig. Davy’s graf is nooit teruggevonden, ondanks de handgetekende kaart van zijn vriend Jean Louis.

Volgens Jean Louis Boele van Hensbroek en andere krijgsgevangenen hield Davy tot op het laatste moment “een buitengewone persoonlijke charme, wat ervoor zorgde dat iedereen die hem ontmoette, zich door hem aangetrokken voelde”. Jean Louis schrijft:

Hij was voor ons een levend voorbeeld van wat een Mensch kan zijn.