Paul Tukker

Paul Tukker (1924-1945)

Paul Tukker wordt op 12 mei 1924 geboren in Harlingen, als jongste zoon in een gezin met vier kinderen: Aernout, Ulbo, Paul en Mieke. Als Paul ongeveer een half jaar oud is, verhuist het gezin naar de Mecklenburglaan 34 in Rotterdam. In 1931 verhuist het gezin opnieuw, nu naar de Groene Wetering 17, ook in Kralingen.

Pauls vader, Cornelis Dirk Tukker, is jurist en notaris. Zijn praktijk is gevestigd op het Beursplein, vlak bij het huidige station Blaak. Bij het bombardement van 14 mei 1940 gaat alles in die omgeving verloren, behalve de platanen die nog steeds voor de kunstacademie staan.

Tijd op het Erasmiaans

In 1936 gaat Paul net als zijn broers Aernout en Ulbo naar het Erasmiaans Gymnasium. Hij wordt toegelaten in de eerste klas – in die tijd is er nog een toelatingsexamen. Op de beroemde schoolfoto van 23 april 1937 zit Paul vooraan. Rechts naast hem zit zijn vriend Paul Ruoff, een van zijn latere bridgevrienden. Paul blijft zitten in de eerste klas. Hij gaat naar het Rotterdams Lyceum. Daar maakt hij zijn middelbare school af. In de loop van de oorlog zal Paul beginnen aan een notarisopleiding in Den Haag.

Op de beroemde schoolfoto van 23 april 1937 zit Paul vooraan. Rechts naast hem zit zijn vriend Paul Ruoff, een van zijn latere bridgevrienden.

Paul is zeer sportief. Hij hockeyt bij Victoria, is lid van de Rotterdamse Zeilvereniging en tennist bij de Tennis Club Kralingen. Daar is hij clubkampioen van de mannen. Zijn vriendin Marceline Diemer Kool, afkomstig uit een tennisfamilie, is clubkampioen van de vrouwen. Samen bereiken ze bij het dubbelspel de tweede plaats. Paul is, zoals een vriend na zijn dood zal schrijven, “de verpersoonlijking van jeugdige kracht en gezondheid”. Zijn lengte draagt daaraan bij: Paul is 1,99 meter lang.

Verzet

Mogelijk raakt Paul betrokken bij het verzet via Charles Pietersen, bestuurslid van de Rotterdamse Zeilvereniging (RZV). Dit is echter speculatie. Feit is dat een aantal leden van deze vereniging een verzetsgroep vormt. In 1944 is Charles Pietersen hoofdinstructeur bij het Rotterdamse verzet. Aan de Avenue Concordia heeft hij een kamer gehuurd, onder het voorwendsel boten te verkopen voor de RZV. In werkelijkheid gebruikt hij het adres voor vergaderingen van het verzet.

Pauls ouders weten niet dat Paul betrokken is bij het verzet, ook al woont hij nog steeds thuis. Pas na zijn arrestatie zal zijn moeder tussen Pauls tenniskleren een revolver vinden, als ze zijn kleren wil wassen. Zijn ouders realiseren zich dat Paul in de periode voor zijn arrestatie fanatiek pijltjes aan het schieten was.

Volgens de Doodenboeken 1940-1945 van de Stichting Oranjehotel was Paul instructeur bij de Stoottroepen van de Ordedienst (OD). De stoottroepen voerden gewapend verzet tegen de Duitsers. Volgens de Stichting Vriendenkring Neuengamme was hij daarnaast lid van de verzetsgroep Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO).

Arrestatie

Op 6 februari 1945 doet de Sicherheitsdienst een inval in het huis aan de Avenue Concordia waar het verzet vergadert. Paul wordt opgepakt, samen met zijn kameraden Peter Anne Wakkie, Charles Pietersen en Arie Glimmerveen. Kennissen lichten snel zijn moeder in. Als zij naar de Avenue Concordia komt, staat de vrachtauto van de Sicherheitsdienst nog voor. Zij kan Paul niet zien, dus ze vraagt aan een meisje in de vrachtauto of Paul er ook in zit. “Ja, Paul is hier ook,” zegt het meisje. De vrachtauto rijdt weg. Zijn moeder zal haar zoon nooit meer zien of spreken.

Oranjehotel

Paul en zijn vrienden worden gevangengezet in het ‘Oranjehotel’, de Polizeigefängnis in Scheveningen. Op 1 maart stuurt Paul een brief naar zijn ouders. Uit deze brief en uit andere correspondentie valt op te maken dat zijn ouders hem een pakket bezorgden met ondergoed, truien, toiletartikelen, eten en speelkaarten. Dat waardeert hij zeer.

Op 6 maart sturen Paul en zijn vrienden een gezamenlijke brief aan alle ouders. “We slaan ons er heus wel doorheen,” staat er in het handschrift van Paul. “Onze gezondheid is uitstekend, en de stemming altijd goed.” De vrienden verwachten snel op transport te gaan naar Amersfoort. Ze zien daar zelfs naar uit:

Het zal ons zelfs aangenaam zijn hier uit de gevangenis te komen, want het gaat in een cel wel vervelen, terwijl we in een arbeidskamp veel meer afleiding zullen hebben.

Handtekening van Paul Tukker onder de brief die hij op 6 maart 1945 vanuit het Oranjehotel stuurde aan zijn ouders. 

De dag erna, op 7 maart 1945, gaan Paul en zijn vrienden in een goederenwagon op transport naar Amersfoort. Dat kamp dient vooral als doorgangskamp naar Duitse concentratiekampen. Eén dag na aankomst in Amersfoort wordt Charles Pietersen gefusilleerd bij een vergeldingsactie voor de onbedoelde moordaanslag op SS-generaal Hanns Albin Rauter. Vermoedelijk hakt dit er stevig in bij de vrienden.

Neuengamme

Op 15 maart 1945 worden Paul, Peter Anne Wakkie en Arie Glimmerveen samen met 170 andere gevangenen op transport gezet. Het is het laatste transport van Kamp Amersfoort naar concentratiekamp Neuengamme. De route voert via Assen en Groningen. Pas drie dagen later, in de late avond van 19 op 20 maart 1945, komen de gevangenen aan in Neuengamme. De condities in het kamp zijn zeer slecht. De barakken zijn overvol, er is niet genoeg te eten en de gevangenen moeten zware arbeid verrichten.

Een kleine twee maanden later, op 4 mei 1945, wordt concentratiekamp Neuengamme bevrijd. Bij aankomst treffen de geallieerden echter een nagenoeg verlaten kamp aan. Op 19 april 1945 waren de Britten al zo dichtbij dat de nazi’s het kamp ontruimden. Ongeveer 10.000 gevangenen werden van Neuengamme naar Lübeck vervoerd. Sommigen worden in goederentreinen gepropt, anderen moeten te voet. Paul Tukker hoort bij de laatsten.

Tijdens dit ‘dodentransport’ bezwijken velen aan uitputting. Wie langs de kant van de weg uitvalt, wordt meestal meteen neergeschoten. Paul is zo zwak dat hij naast de weg wordt gelegd. Op de een of andere manier komt hij toch in het Universitäts-Krankenhaus Eppendorf in Hamburg terecht. Op 26 mei 1945 om 23.45 uur overlijdt hij hier aan longontsteking en acute oorontsteking.
In dezelfde week vinden zijn vrienden de dood bij de ramp in de Lübeckerbocht.

De ramp in de Lübeckerbocht

De gevangenen die de dodenmars overleven, worden op 26 mei 1945 in Lübeck aan boord gebracht van drie schepen: de Cap Arcona, de Tielbeck en de Athen. Op 3 mei 1945 worden deze schepen aangevallen door enkele squadrons Engelse Typhoon-jagers, die niet weten niet dat de opvarenden gevangenen zijn. De Thielbeck vliegt direct in brand en kapseist na een kwartier. De Cap Arcona blijft nog dagen branden. Van de gevangenen die kans zien van de schepen in het ijskoude water te springen, verdrinken er velen. Wie aan land komt, wordt direct geëxecuteerd door gewapende soldaten. Maanden na de ramp spoelden er nog lijken aan op de standen van de Lübeckerbocht.

Slechts een paar honderd van de ongeveer 7.000 gevangenen van de Cap Arcona en de Thielbek overleven de ramp. Arie Glimmerveen overlijdt op 27 april 1945 aan boord van de SS Athen. Hij is 27 jaar. Peter Anne Wakkie overlijdt op 3 mei 1945 in de Lübeckerbocht. Hij is 19 jaar.

Begraafplaats

Aanvankelijk wordt Paul Tukker begraven op het Friedhof zu Olhsdorf bij Hamburg. Zijn ouders willen echter niet dat Duitsland zijn laatste rustplaats is. Pauls broer Ulbo haalt Pauls resten op. Paul wordt herbegraven op begraafplaats Oud-Kralingen. In 2021 zijn zijn resten overgeplaatst naar de erebegraafplaats in Loenen.

Pauls naam staat op een plaquette bij de Koninklijke Roei- en Zeilvereeniging De Maas.

 

Terra ei levis sit

 

 

Erasmiaan Berkan Koçer onderzocht het leven van Erasmiaan Paul Tukker voor zijn profielwerkstuk. Oud-leerling Anne Schram deed uitgebreid aanvullend onderzoek en schreef deze tekst.