GESCHIEDENIS

Het Erasmiaans Gymnasium vindt zijn oorsprong in de parochieschool van de kerk van St.-Laurens omstreeks 1300. De volgende data markeren belangrijke momenten in de eeuwenlange geschiedenis van onze school:

  • 1328: De school wordt door Willem, graaf van Henegouwen, aan zijn klerk Pieter Marre verpacht.
  • 1351: De school gaat van grafelijk bezit over in handen van de stedelijke overheid. De parochieschool wordt nu een stadsschool of Groote School (Schola Magna).
  • 1581: Door de reformatie vindt een splitsing van de Groote School plaats in een Duytsche School voor lager onderwijs en in een Latijnse School, welke laatste leerlingen voor de Universiteit opleidt.
  • 1625: De Schoolordre van de Staten van Holland en Westfriesland streeft uniformering van het onderwijs aan de Latijnse scholen na. In het leerplan neemt het onderwijs in het Latijn de grootste plaats in, gevolgd door het Grieks.
  • 1815: Behalve Grieks en Latijn komen geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde op het lesprogramma van de Latijnse school.
  • 1842: De Latijnse school krijgt de benaming ‘Stedelijk of Erasmiaansch Gymnasium’ met een A- en een B-afdeling.
  • 1865: De B-afdeling gaat op in de nieuwe H.B.S.
  • 1879: De reorganisatie van de school volgens de Wet Hooger Onderwijs van
  • 1876: Wordt doorgevoerd, met o.a. een zesjarige cursus en een splitsing in een alfa- en een bètarichting.
  • 1968: De invoering van de Mammoetwet wordt het Erasmiaans bijna noodlottig.
  • 1990: De invoering van het ongedeelde gymnasium wordt in gang gezet.
  • 1999: In augustus van dit jaar is de invoering van de Tweede Fase een feit.
  • 2012: De school telt inmiddels 1150 leerlingen.

Desiderius Erasmus, de naamgever van de school, werd op 27 oktober 1466, 1467 of 1469 in Rotterdam geboren. Hij was het onwettige kind van een priester en een artsendochter. Erasmus heeft drie jaar in Rotterdam gewoond. Daarna vertrok hij naar Gouda, waar hij de parochieschool – de voorloper van de Latijnse school –bezocht. Later volgde hij onderwijs in Utrecht en Deventer. In 1487 trad hij in het klooster bij de augustijnen te Steyn (bij Gouda). En in 1492 werd Erasmus tot priester gewijd. Als secretaris van de bisschop van Kamerijk kreeg hij de mogelijkheid naar het buitenland te gaan. Hij studeerde theologie aan de Sorbonne in Parijs en bezocht Engeland, waar hij kennismaakte met onder andere Thomas More. In augustus 1506 reisde hij naar Italië. Op de terugweg naar Engeland schreef hij zijn beroemdste werk: de Lof der Zotheid. In 1515 werd Erasmus raadsheer van Karel V. Hij vestigde zich toen in Leuven. Zes jaar later vertrok hij naar Bazel, waar hij de laatste jaren van zijn leven verbleef om de uitgave van al zijn geschriften voor te bereiden. Erasmus overleed op 12 juli 1536. Erasmus werd beschouwd als een van de geleerdste mensen van zijn tijd. Hij beheerste het Latijn en Grieks zeer goed, zo correspondeerde hij in het Latijn met geleerden in heel Europa over theologische en filologische kwesties. Erasmus behoorde tot de internationale beweging van de humanisten, een groep geleerden die de studie van de klassieke oudheid propageerden. Behalve theoloog en filoloog was Erasmus literator met liefde voor de bonae litterae (‘schone letteren’). Hij verzorgde tal van uitgaven van klassieke auteurs en kerkvaders waarvoor hij overal in Europa handschriften raadpleegde. Erasmus maakte ook een uitgave van het Griekse Nieuwe Testament, die tot ver in de negentiende-eeuw als gezaghebbend werd beschouwd. Andere bekende werken van Erasmus zijn: Adagia (verzameling van Latijnse spreekwoorden met verklaring), het Enchiridion, en de Colloquia (samenspraken). In tegenstelling tot Luther bleef Erasmus in de tijd van de reformatie de katholieke kerk trouw. Tot het einde toe bleef hij ijveren voor verdraagzaamheid en de christelijke naastenliefde.